Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XI.

VERLEIDING.

Eens stond een roosjen onbevlekt. Daar werd het door een worm ontdekt. «Kom sprak de worm met bcozen zin» „Mijn zoetlief roosje, laat mij in.*

De roos betrouwt den schoon en schijn. „O booze worm, gij doet mij pijn! „O laat mij los , ga weg van hier. „Ach wee, wat smart! venijnig dier!"

Maar dieper boort de worm zich in. «Gij zijt mijn roosjen, 'k heb mijn zin.* O leed , bij 't eerste morgenrood, Toen was het arme roosjen dood.

Sluiten