Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waar vroeger met haar scherpe vlerken En schril gekras de zeemeeuw vloog ,

Ruischt nu uit net gebouwde kerken Het plechtig loflied naar omhoog.

Zoo werd aan 't woest geweld der stroomen , Aan stormwinds willekeur en luim ,

De fel betwiste prooi ontnomen,

En schiep de mensch zich Goud uit Schuim.

Welk reuzenwerk door nienschenhanden

Ten spijt van wind en zee volbracht! ])e mensch legt kolk en meer aan banden ,

De stoom gehoorzaamt aan zijn macht. Wat hij ontwerpt zal hij verrichten.

Geen berg hoe hoog, geen zee hoe ruim , Die voor zijn wilskracht niet moet zwichten.

Hij spreekt, en G o u d komt voort uit Schuim.

Doch zoudt ge, o mensch , u zelf verhoogen ?

't Is God, die aard en hemel schiep. Aan Hem alleen dankt gij 't vermogen ,

Dat hier dit land te voorschijn riep. Wat zijt ge? Een damp. Wat is uw leven?

't Is lichter dan een vederpluim.

Sluiten