Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 6. Jezas' oordeel over den godsdienst zijner tijdgenooten, en houding ten opzichte van het O. T. — Zijn Messiasbewastzijn.

Jezus oordeelt in 't algemeen niet gunstig Over het godsdienstig leven bij zijne tijdgenooten. De vroomheid was bij hen al te veel een waarnemen van de overgeleverde vormen, niet genoeg zaak van het hart. Zij wijdde niet, zooals het behoorde, het geheele leven.

Hij geeft de schuld daarvan aan de Schriftgeleerden en aan de Priesters, die zelf in hooge mate op zoo gebrekkige wijze godsdienstig waren, en door wie dientengevolge ook het volk verkeerd werd geleid.

Hij kent geen bindend gezag toe aan het O. T. noch aan de Overlevering, maar laat zich bij zijn oordeel over wat daarin waar en goed is, leiden door de inspraak van zijn eigen gemoed.

Soms gebruikt hij, om zijne gevoelens te doen verstaan, gezegden, ontleend aan het O. T., inzonderheid aan de Profetische geschriften, die diepen indruk op hem hadden gemaakt, als hij ze hoorde in de Synagoge of terwijl hij ze voor zich zeiven las. Ook leent hij dan wel aan de door hem overgenomen Schriftwoorden een dieperen zin.

Somtijds stelt hij daarentegen vrijmoedig een en ander ter zijde, wat voorkomt in het O. T.

Met te meer vrijmoedigheid stelde hij zich in sommige opzichten boven het O. T., met name boven de Wet, wijl hij zich bewust was, dat in hem de door de groote profeten uitgesproken belofte van een Messias (in 't Grieksch Christus) die zou komen, was vervuld.

Sluiten