Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 10. Jezus' karakter.

Zooals het leven van den stichter des Christendoms ons in de Evangeliën geschilderd wordt, krijgen wij den indruk, dat God in Jezus eene buitengewoon indrukwekkende persoonlijkheid, iemand met een uitermate rein en edel gemoed, heeft doen opstaan.

Zijn gemoedsadel blijkt eerstens al dadelijk uit het diepe inzicht dat hij in Gods wezen heeft gehad.

Voorts dacht hij nooit aan zich zelf. Nimmer was het hem om eigen eer of voordeel te doen. Hij sprak en handelde altijd, zooals hij begreep te moeten doen. Hij vroeg alleen, wat plicht, wat Gods wil was, zonder er zich om te bekommeren, welke de gevolgen voor hem zeiven zouden zijn. Overtuigd als hij was van Gods trouwe bescherming, deinsde hij voor geen gevaar terug.

Waar het noodig was, sprak hij onverschrokken, zonder aanzien des persoons.

Spoedig merkte hij het goede in iemand op.

Met eene geheel natuurlijke, uit het hart opwellende vriendelijkheid, met verzaking van zijn eigen belang, kwam hij allen te gemoet, hoeveel overigens nog op hen aan te merken viel, in wie hij ook maar eenigen zin bespeurde voor het hoogere.

Door geen teleurstelling liet hij zich ontmoedigen, door geen vijandige bejegening zich verbitteren.

Bij dit alles geen spoor van zelfverheffing.

Eigenaardig is nog, dat Jezus veel van kinderen gehouden heeft.

Jezus' vragen alleen naar wat plicht was Matth. 16 :22 v.; 26 : 39.

Sluiten