Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Langzamerhand heeft God in de mensch heid het bewustzijn laten ontstaan, dat wij tot zedelijk leven verplicht zijn. Toen ging men de goden tegelijk in meerdere of mindere mate erkennen als beschermers der zedelijkheid, handhavers van het recht, brengers van beschaving, enz., en hen zich dus ook verhevener voorstellen. Intusschen had bij de Joden alleen, Jahwe in den loop der tijden geheel opgehouden een natuurgod te zijn.

Oorspronkelijk had men overal gemeend, omdat men voor een deel wegens onbekendheid met vreemde volken minachtend over deze oordeelde, dat de goden slechts het eigen volk beschermden, zelfs dat zij zich niet bemoeiden met wat daarbuiten voorviel. Ook in dat opzicht was men echter later hier en daar eenigermate vooruitgegaan.

Tot zóóver was de ontwikkeling vóór Jezus'komst, behalve bij de Joden die verreweg het hoogst stonden, voortgeschreden bij sommige iets meer beschaafde volken, nl. bij de Chineezen, de Indiërs, de Egyptenaren, de Perzen, de Babyloniërs, de Grieken, de Romeinen, de Germanen.

Nog altijd evenwel meende men ook onder dezen, dat de goden in uitwendige eerbetuigingen, vooral ook in offers behagen hadden.

Gemakkelijk erkent ieder, hoezeer God (ook in het Boeddhisme en het Mohammedanisme, waarover nader, maar) bovenal in Jezus' evangelie dat Hij, de Allerhoogste, niet op uitwendige dingen, maar op het hart ziet, en dat Hij alle menschen liefheeft en hen opleiden wil tot reinheid van hart, geschonken heeft, wat verre boven de oude godsdiensten uitmunt.

Sluiten