Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GESTORVEN WEESJE.

'k Was alles kwijt, het arme kind! Het had geen vader en geen moeder, Het had geen dak voor weêr of wind, Het schreide bei zijn oogjes blind... Dat zag de trouwste Hoeder.

De menschen gingen 't wicht voorbij En lieten 't zwerven langs de straten; Maar, vond het hulp noch medelij, En stiet men 't ook verhard op zij', Het wicht was niet verlaten.

«Ga!» sprak de Helper in den nood: »Er dwaalt een hulploos kind beneden: *Het heeft geen dek, het heeft geen brood 'Laat ons het koestren in den schoot »En 't voeden en het kleeden.»

Sluiten