Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij duislen, als wij om ons staren,

En, waar de voetzool treedt. Den Maker in 't gewrocht ontwaren,

Die alles vormt en kleedt. Wij huivren, in ons niet verloren,

En knielen biddend neer, En staamlend doen wij 't loflied hooren:

«Wat zijt Gij groot, o Heer!'

Maar als de zorg ons blinkt in de oogen,

Die alles ga blijft slaan, Als wij de Liefde en 't Alvermogen

Steeds hand aan hand zien gaan; Als wij ons lot — ons zelv' aanschouwen,

Wij, dag en nacht behoed, Dan roepen we uit met blij vertrouwen:

» Wat zijt Ge, o Vader! goed! *

Sluiten