Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het staat u, lieve jeugd! zoo goed; Het toont een vroom, een deugdzaam harte, En, met wat pracht gij werd getooid, Zoo schoon toch, kindren! waart gij nooit.

Dan, ja! dan zijt ge kussenswaard, Als deernis zich aan weldoen paart

En tranen aan uw aalmoes kleven. Wie blijft er bij dat schouwspel koel? Natuur ontzei hun elk gevoel,

Die 't zagen en er koud bij bleven: Gewis, dan gluren van omhoog Gods englen, met een lach in 't oog.

Sluiten