Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van openbaarheid de hooge waarde van dezen geleerde gedurende het vierde eener eeuw der wereld verborgen blijven! En wie staat er voor in, dat het oordeel, door onze geleerde landgen ooten geveld over hun medearbeider in den vreemde, dezen grooten onbekende in korten tijd tot een gevierde grootheid zal maken? Wie weet, of de verdiensten van dezen dienaar der wetenschap wel van dien aard zijn, dat ze in de eerstvolgende vijf en twintig jaren door het groote publiek op den rechten prijs zullen künnen worden geschat!

De toepassing van dit alles op hetgeen met Eerdinand Christian Baur is gebeurd ligt voor de hand. Voor mij persoonlijk was die toepassing dubbel treffendi

Het is nu juist vijf en twintig jaren geleden, dat ik, vol geestdrift voor het in Tübingen ontstoken licht, derwaarts opging om de mannen, van wie, naar mijn vaste overtuiging, voor de theologische wetenschap het beste te verwachten was, nader te leeren kennen. Tot Baur met name voelde ik mij krachtig aangetrokken. Reeds meer dan vijf en twintig jaren waren er toen verloopen sinds hij zijn eersteling, twintig sedert hij zijn eersten belangrijken arbeid op theologisch gebied had uitgegeven, en hoeveel was er van zijne hand in die laatste twintig jaren niet in het licht verschenen? Toch dagteekende mijn enthusiasme voor den Tübingschen meester eerst van het vorige jaar (1844), toen hij zijne beschouwing over het Johannesevangelie wereldkundig maakte. Hoe weinigen in mijne omgeving mijn warme bewondering ook deelden, mijn geloof stond onwrikbaar vast, dat hier eene ontdekking was gedaan zoo heugelijk, zoo belangrijk, dat ze alles zou in de schaduw stellen wat sinds Lessing op historisch-theologisch gebied wasvoorden dag gekomen. Ik had voor dat geloof geen andere gronden dan de mijns bedunkens afdoende betoogen van Baur zelf. 't Mocht mij onaangenaam aandoen, dat velen, wier rijke geleerdheid ik bewonderde, slechts van Tübingsche hyperkritiek wisten te spreken; het besef van het gebrekkige mijner zelfstandige studiën mocht mij weêrhouden openlijk partij te trekken voor de theologische school, waarin ik de historische bij uitnemendheid meende te mogen begroeten, mijne overtuiging moge zich destijds nog slechts in den vorm van een stellig voorgevoel in mij hebben geopenbaard, die Ahnung, dat gevoel van zekerheid kenmerkte zich voor mij als een volkomen gezonde kracht, waaraan ik de emancipatie van vroeger gekoes-

Sluiten