Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slonk reeds bij zijn leven op jammerlijke wijs en nu leeft en bloeit het positief Christelijke geloof der protestanten in Duitschland en daarbuiten, alsof er geen Baur hadde bestaan!

Waarlijk, indien wij de waarde van Baur moeten afmeten naar het. oordeel, dat de meest gevierde theologen onder zijne tijdgenooten over hem uitbrachten, dan kunnen wij wel de moeite besparen om voor dit onderwerp van de aandacht onzer lezers nog meer te vergen. Indien het niet geoorloofd was aan de mogelijkheid te gelooven, dat mannen als de Wette, Gieseler, Hase, Bleek, Reuss, Bunsen — hoe open en ruim anders ook van blik — allen te samen door hetzelfde machtige vooroordeel beneveld waren, toen zij meenden, dat het optreden van Baur geen blijvenden indruk zou achterlaten en dat de protestaritsche kerk en theologie, na zijne interpellatie, eenvoudig zonden overgaan tot de orde van den dag, ik zou of dit onderwerp niet hebben moeten behandelen, of aan het hoofd van dit opstel de woorden van Montaigne moeten plaatsen: lectcur, ce n'est pas raison que tu employés ton loisir en un subject si frivole et si vain; adieu donc! Is het niet aandoenlijk, den bescheiden geleerde, na een lang leven van onverpoosde werkzaamheid, te horen uitroepen: Spreek toch niet van een Tübingsche school! Waar is ze? Waar zijn hare adepten? Heb ik niet mijn beste en trouwste leerlingen mij en de theologische loopbaan zien verlaten? Schwegler ging over tot de philologie; Zeiler tot de filosofie; Planck werd leeraar aan een gymnasium: Köstlin zocht een leerstoel voor Aesthetica; Ritschl ging mij bestrijden; Hilgenfeld deed al zijn best om tegenover mij zijn onafbankelijk standpunt te handhaven! "De Duitschers, tot wier kring hij (Baur) behoort," zoo laat Scheffer zich in zijne verhandeling (bl. 394 vlg.) hierover uit, "toonen zich meerendeels met den geest en de richting zijner studiën niet ingenomen. Hierbij denk ik aan "de stemming, die nog heden ten dage onder de Duitsche theologen jegens Baur heerscht. Deze stemming draagt enkele "kenmerken, waaruit ik althans den indruk ontvang van persoonlijken onwil, van bepaalden weerzin tegen zijne geheele "werkzaamheid. Om hier niets van Ewald te zeggen, die "met de woede van een Middeleeuwschen Peter, de Zwaben "tot een kruistocht tegen Baur aanzette, zij slechts herinnerd, "hoe Uhlhorn met zeker welbehagen het kwijnen der (Tü"bingsche) school beschreef en hare ontbinding aankondigde.

Sluiten