Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

"Ja, als "der billig denkende" Reuss, met zekere welwil"lendheid over de Baursche critiek spreekt, geeft hij intusschen "blijkbaar te kennen, dat zij hem om hare richting inwendig "tegenstaat. Ook vormde zich in den loop des tijds tegen den "Tübingschen meester een soort van officieele, of, gelijk hij "het noemt, "obligate" polemiek, naar den aard dezer soort, "gezalfd met een keur van aandoenlijke en nietaandoenlijke "hartstochtelijkheden. En hoe ging het hem in zijn eigen "vaderland? Al bewees de orde der Wurtembergsche kroon "op zijne borst, dat de Hooge Regeering eenmaal een gunstige "meening omtrent hem koesterde, later bleek het, dat hij bij "haar meer en meer met een zwarte kool stond aangeschreven. "Hij werd persoonlijk slechts geduld, zijn wetenschappelijk recht "van bestaan niet erkend. Dit ondervonden zijne leerlingen, "die het waagden aan zijne zijde als de herauten zijner wetenschappelijke grondstellingen op te treden: zij werden verwijderd of in betrekkingen overgeplaatst, die hen dwongen "den meester alleen te laten staan. Bovendien is er tijdens "zijn professoraat ernstig gedacht aan de opheffing van het "Tübingsche Seminarie, omdat de speculatieve en kritische richting, die aldaar onder de studenten begon te heerschen, in "strijd kwam met hun kerkelijke roeping. Hoe kon Uhlhorn "zich met een goed gemoed verkwikken in het schouwspel der "aanvankelijk verloopende school, zonder zich te ergeren aan "het gebruik van menigen onverkwikkelijken maatregel om haar "uiteen te drijven!"

Wie zou, dit alles overwegende, nog durven aandringen op het toekennen van de hoogste onderscheiding op theologisch gebied aan een geleerde van zoo droevige figuur! Kom mij, o Clausius! uit uw verborgenheid te hulp, gewapend met de Huygens-medaille, opdat ik de eer van uw broeder in de wetej^schap naar behooren verdedige.

Ik wil trachten aan te toonen, dat, indien Baur juist het minst in zijn waarde is erkend door de mannen der kerk, in wier dienst hij gearbeid heeft, zijne wetenschappelijke verdienste daarom niet te minder moet worden op prijs gesteld.

Maar hoe? Baur zou in dienst der kerk hebben gearbeid? Welk een vermetele bewering! Alsof niet de mannen der kerk door een juist instinct geleid werden, toen ze in den Tübinger meester hun meest te duchten tegenstander zagen. Alsof de kalme toon van zijn betoog, de schijnbaar argelooze wijze waarop

Sluiten