Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en volharding van een man als Baur daarop zich hadden geworpen, vruchten te kunnen worden ontlokt, waarvan niemand had gedroomd. Die akker was de zoogenaamde inleidingswetenschap; zoogenaamd: want inderdaad van wetenschappelijke éénheid en methode was hier weinig te bespeuren. Ook vond ze in het academische onderwijs slechts bij uitzondering een plaats, en dan werd haar nog maar een donkere hoek, een schamel terrein ingeruimd. Immers: eigenlijk werd alles wat een rechtschapen theoloog, lees: protestantsch leeraar! van die inleidingswetenschap noodig had, behoqrlijk afgedaan in de prolegomena tot de - dogmatiek, meer bepaaldelijk in het hoofdstuk dat over de heilige Schrift handelde. Hier toch werd alles geleerd wat een christenmensen van den bijbel noodig had te weten, — wel te verstaan voor zoover die bijbel als menschenwerk kon geacht worden een oorsprong en eene geschiedenis te hebben gehad; want al wat onmiddellijk samenhing met den goddelijken inhoud, met het Godswoord, de inspiratie des bijbels, enz., werd in Baur's tijd reeds lang buiten de grenzen der Iuleidings-wetenschap gehouden. — Hier vond men ten gerieve van een iegelijk op de beknoptste wijze de argumenten voor de echtheid en de intregiteit der heilige boeken ontwikkeld en gerangschikt. Trouwens de bedenkingen van het ongeloof waren zóó ongerijmd, zóó onzinnig, dat een handvol citaten uit de Schrift zelf natuurlijk in de eerste plaats en vervolgens uit eenige goedhartige kerkvaders, die alles zeiden wat men maar verkoos, meer dan genoeg was om gansche benden dier "twijfelaars" den mond te stoppen. Zoo ging het jaar en dag. En of ook soms uit het land der filologen en filosofen een wind van kritiek opstak, die over het gebied der theologie zijn zuiverenden adem scheen te zullen doen gaan, steeds bleef de uitkomst uiterst gering. De dichte bosschen, rondom het heilige erf geplant, beletten aan den luchtstroom den vrijen doortocht. Het kritiekste, d. w. z. datgene waarin de theoloog het palladium zijner wetenschap gelegen achtte, bleef zorgvuldig voor de aanraking der kritiek afgesloten. Wel was dit verboden terrein van lieverlede kleiner geworden. Na eerst vrij wat concessies gedaan te hebben ten aanzien van de letterlijke inspiratie, in verband met den nog al moeilijk te constateeren juisten, echten oorspronkelijken text der goddelijke schriften, werd men gaandeweg al vrijgeviger op het stuk van het Oude Testament. In het N. T.

Sluiten