Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

del van een voor onschuldig gehouden bedrog, zijne theosophische ideeën als* de echt christelijke aan te-bevelen, dan mocht de onpartijdige lezer tevreden zijn met deze kritiek, waaraan, wat betreft de hoofdzaak waarom het te doen was, inderdaad niets ontbrak.

Maar niet veel lezers, die zoo oordeelden, vond Baur's verhandeling in den aanvang. Met den besten wil konden de meesten maar niet inzien, dat het 4de evangelie in historisch gehalte zoover beneden zijne drie voorgangers stond. Hoe! dacht men; als Johannes met de Synoptici verschilt, zal men hem ongelijk geven, terwijl toch deze drie berichtgevers het onderling voortdurend oneens zijn! Strausz heeft ons het geloof aan de evangelisten, ook de drie eersten willen ontnemen, op grond dat het getuigenis van den een gedurig dat van den ander omverwerpt; waarom nu het vonnis in al zijn strengheid alleen op Johannes toegepast? Waarom dan maar niet liever met één slag die allen getroffen en erkend: historische zekerheid ten aanzien van het leven van Jezus is uit deze vier elkander geduriglijk weêrsprekende evangelieën niet te verkrijgen ?

Baur heeft zonder twijfel de betrekkelijke waarde van deze tegenwerping wel gevoeld. Had hij ook zich beroepen op het bijzonder karakter van de synoptische traditie tegenover de johanneïsche voorstelling, op de bewijzen dat de laatste van een jongere formatie moet zijn geweest, op de groote en sterksprekende trekken, die de Synoptici met elkander gemeen hadden, op het karakter van grooter waarschijnlijkheid aan hunne verhalen eigen, het gewicht van de zaak vorderde, dat hij niet bleef staan bij die meer algemeene waardeering der oudere evangeliën. Op de waarschijnlijkheid hunner mededeelingen viel toch ook wel het een en ander af te dingen. Bij alle familie-gelijkenis tusschen deze drie, droeg toch elk een eigen, zeer sprekende physiognomie, die den kritischen beschouwer noodzaakte zich in te laten met het ernstig onderzoek, wie hunner de oudste, de eerste, de meest betrouwbare berichten bevatte; wat tot de oorspronkelijke, wat tot de afgeleide bronnen behoorde; hoe te denken van de onderlinge overeenkomst zoowel als de onderlinge tegenspraak tusschen deze drie.

Zoo bracht zijn arbeid over Johannes hem geleidelijk tot bestudeering der synoptische questie. Daarop echter wensch ik thans niet nader in te gaan. Ook is het niet op dit veld, dat

Sluiten