Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ziedaar dan het drieledig resultaat van Baur's onvermoeid onderzoek op dit gebied van historische kritiek: 1° de allesbeheerschende strijd tusschen Paulinisten en Joden-christenen bij de eerste organisatie-der kerk ; 2°. de onechtheid van alle brieven op Paulus' naam staande, met uitzondering van de vier eersten in ons N. T. en de onzuiverheid van de Handelingen der Apostelen als historische bron ; 3°. de onechtheid van het Johannes-evangelie en zijne onbruikbaarheid voor de biografie van Jezus.

't Is zeer wel mogelijk, dat velen mijner lezers die uitkomst niet geëvenredigd achten aan de hulde, die ik meen van alle vrienden der beschaving voor Baur te mogen eischen. Ik wil daarom de gronden, waarop mijn verlangen steunt, nog eenigszins nader uiteenzetten.

Wat Niebuhr was voor Rome's oudste geschiedenis, dat was Baur voor die van het Christendom. Reeds uit een bloot wetenschappelijk oogpunt heeft daarom de arbeid van Baur recht op onze groote bewondering. Hij is het, die met de grootste volharding en trouw, maar dan ook met den schoonsten uitslag, de beginselen der ware historische kritiek op de oud-christelijke documenten heeft toegepast. He methode door hem gevolgd, de nauwgezetheid waarmede hij te werk ging, maken zijne verhandelingen tot modellen voor den geschiedvorscher.

Ik weet wel, dat velen, die over Baur meenen te kunnen oordeelen, dit gunstig getuigenis niet zouden willen onderteekenen. Het vonnis van hyperkritiek, van partijdige historieconstructie, in den aanvang bijna algemeen over dezen geleerde uitgebracht, is nog niet door allen herroepen. Als wij Baur's fanatieke tegenstanders, die hem van duivelschen haat tegen het Christendom, of althans van zondig ongeloof betichten, buiten rekening laten, dan blijft er nog een ander soort van antagonisten over, die zich van hem meenen te kunnen afmaken, door de opmerking, dat dezen criticus niets minder ontbrak dan "historische onpartijdigheid!" Zij stellen zich den man voor als een slachtoffer zijner filosofische vooroordeelen. Die ongelukkige, meenen zij, had zich nu eenmaal aan het Hegelianisme verkocht, en nu kon hij geen andere reahteit in de historie meer erkennen dan die, welke in het aprioristische stelsel dezer idealistische school paste. Zoo weinig zin had hij voor het feitelijk-concrete en individueele, dat hij op .onmeedogende wijs met de historische bescheiden handelde, en de

Sluiten