Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

data en facta tot Hegelsche begrippen verwrong, of ze althans met een Hegelsche saus overdekte, die ze wansmakelijk maakte voor allen, wier gehemelte nog in normalen toestand verkeerde.

Ik geloof niet, dat het overtollig is nu nog te herhalen wat Baur reeds tegen deze beschuldigingen in het midden bracht. Het scheen wel, dat die heeren realisten zich de moeite niet hadden gegeven, om zijne schriften en die van Hegel behoorlijk te lezen. Begrepen hadden zij zeker noch het een, noch het ander. Zou men, als men hen hoorde, niet meenen, dat Hegel met minachting over de empirische grondslagen onzer kennis had gesproken en dat Baur op ijle bespiegelingen zijne beschouwing van het Christendom had gebouwd? Met Zeiler moge men het eenigermate betreuren, dat Baur zijne methode de spekulatieve noemde, de bedoeling met de keuze van dien naam heeft hij zelf door nadere omschrijving, en, wat meer zegt, door de bewijzen zijner inderdaad reusachtige bronnenstudie, zoo duidelijk in het licht gesteld, dat hier misverstand nauwlijks meer verschoonbaar is. Het eigenaardige zijner z.g. speculatieve methode bestaat, volgens zijne eigen verklaring, in het streven om de dingen, na eerst hun objectieven aard zoo zuiver mogelijk te hebben leeren kennen, naar hun innerlijken samenhang te begrijpen, of, zooals Zeiler het uitdrukt, "Baur "bedoelt daarmede in den grond niets anders, dan dat wat wij "zouden noemen: de zuiver historische methode om den "grond der vei schijn selen op te sporen. Niet, alsof wij stellingen aan de filosofie ontleend zouden hebben in de plaats "te zetten van historische getuigenissen; neen, wij moeten door "middel van ons denken de overgeleverde berichten zoodanig "verwerken, dat wij de feiten der geschiedenis naar hun objectieven aard leeren verstaan. Op de beschuldiging: gij construeert de geschiedenis, in plaats van te onderzoeken wat de "historie aangeeft, antwoordt Baur zelf in de voorrede zijner "dogmengeschiedenis: is het dan zoo eenvoudig te weten, wat "de historie werkelijk inhoudt? Moet men niet op het standpunt van het grofste empirisme staan om te kunnen meenen, "dat men de feiten der historie maar zoo voor het nemen en "grijpen heeft ? Sinds er ook zoo iets is wat men kritiek "van het kenvermogen noemt, dient een ieder, die zich niet "zonder filosofische vorming en voorbereiding tot de studie der "historie begeeft, toch wel te weten, dat er een onderscheid

bestaat tusschen de dingen zooals zij op zich zelf zijn, en

Sluiten