Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ren. Overigens Eerwaardige Grijsaard! is, indien ik mij niet zeer bedrieg, elke dienst der Engelen door God in de H. Schrift kortaf verboden, hoewel zij niettemin door de Roomsch-Catholieke kerk wordt goedgekeurd. De H. Paulus toch zegt in zijn brief aan de Colossensen (Hfdst. H, vs. 18): „Dat niemand u overheersche naar zijnen wil in nederigheid en dienst der Engelen, intredende in hetgeen hij niet gezien heeft; te vergeefs opgeblazen zijnde door het verstand zijns vleesches." Welnu, een goede hoorder heeft aan dit ééne woord genoeg.

Paulus noemt dus de dienst der Engelen verkeerde nederigheid; en de eigengemaakte leer over hun, die met de uitspraken der H. Schrift niet overéénkomt (zooals hunne verdeeling in zeven classen), vleeschelijk verstand. Ongeoorloofd is het dus hier op aarde om, zooals in de formuliergebeden uwer kerk geschiedt, de Engelen door de menschen te doen dankzeggen, evenzeer als elke aanbidding of aanroeping dier hemelgeesten ongeoorloofd is. Al wat zij toch ten onzen nutte verrigten..., ze doen het alleen op het bevel van den eenigen God door Christus den Godsengel, die als zoodanig ook de Middelaar is tusschen God en hen .... derhalve als dienaars van God en Christus en ook als onze vrienden. Duidelijk is het dus dat onze dank hun niet moet worden toegebragt... immers men dankt niet den dienstknechten maar den Meester zeiven, en vrienden vragen ook geen dank van ons waar zij uit. vriendschap ons hulp verleenen. Zij zijn dienaren Gods, die tot dienst uitgezonden worden om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen derhalve ook dienaren van ons, ons als

zoodanig door God gegeven, gelijk altijd en overal in 't groot heeal de een den anderen dienen moet. Hunne aanbidding, ja zelfs hunne aanroeping is dus niets anders dan eene verbodene, valsche nederigheid. Hun is het eere genoeg, dat zij hemelsche dienaren zijn, altijd het aangezigt van God den Vader zei ven aanschouwende (Matth. XVIH, vs. 14); en het strekt hun tot vreugde onj te dienen, ons aardbewoners, die (naar Psalm VIII vs. 6) maar een weinig min-

Sluiten