Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schriften 1) te regt gezegd wordt... inderdaad is dit eene verloochening der offerande van Christus eenmaal aan 't kruis geschied, welks voldoende waarde tot uitdelging der zonden aldus zeer verkleind wordt. Wederom heeft dan ook de schrijver aan de Hebréën gedwaald toen hij zeide dat Christus met ééne offerande in eeuwigheid volmaakt heeft hun die geheiligd worden... immers hij had dan moeten zeggen dat de Heiland in eeuwigheid volmaakt heeft hun die geheiligd worden door de dagelijksche misoffers in de kerken, waarvan het offer op Golgotha slechts het begin was — of door het offer op den heuvel van Calvariën waarvan echter eene dagelijksche repetitie noodig is op onbloedige wijze op de voor immer daartoe geheiligde altaren.

Nog evenwel is de treurige zaak niet ten einde... nog meer wordt ons hier te denken gegeven. Met de viering van het H. Avondmaal in de Roomsche kerk is namelijk, zooals ik reeds heb opgemerkt, de exegetische questie over de beteekenis der woorden: Dit is mijn ligchaam! Dat is mijn bloed! ten naauwste verbonden. Een en ander hebben wij dienaangaande reeds opgemerkt wat het woord Ligchaam zelf aanbelangt in de questie of het hier hetzelfde als Vleesch zou wezen, al dan niet. Doch daar is meer. Omdat Christus het brood heeft toegesproken zeggende: Dat is mijn ligchaam! en den wijn zeggende: Dat is mijn bloed! zoo leert gij dat het brood des Avondmaals daardoor ophoudt brood te zijn en de wijn ophoudt wijn te wezen (alleen maar den schijn en den smaak van brood en wijn behoudende) omdat ééne en dezelfde zaak niet te gelijk brood kan zijn en ligchaam of vleesch, noch ook te gelijk wijn en bloed. Zie ik echter wel, dan is deze gansche redenering niet anders dan een zeepbel, of liever, om met Paulus te spreken, verstand des vleesches — rationalisme... en dan hebben wij ook hier al weder toe te zien dat wij niet datgene van elkander scheiden wat Jezus zoo naauw en innig te zaam verbond.

Noodzakelijk evenwel is voor u ook weder deze scheiding, 1) De Heidelbergsche Catechismus, Zondag 30.

Sluiten