Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alleen aan gedoopten (soms nog ongeformden) wordt uitgereikt — bewijs genoeg dat we ook hier reeds naar de beide Hoofdsacramenten eene vingerwijzing hebben — en wel eene vingerwijzing uit het Heilige, want in het midden des Heiligdoms worden Priesters en Leeraars als ingelijfd Om daarin het Allerheiligste nevens al het andere te bedienen (zie Handl. II vs. 1—4, vs. 41 en vs. 46.)

De drie kenmerken nu — ze leeren hier al verder één en hetzelfde, 't Uitwendig teeken is hier Handoplegging, dus niet een teeken waarin zich als in een derde de Heer geheel zelfstandig mededeelt, doch de aanraking van den eenen zondaar door den anderen, opdat de priesters- of leeraarsgaven des H. Geestes door den een als over den ander mede komen zouden. Het inwendige is dus hier de mededeeling eener bijzondere Geestesgave. Slechts éénmaal gaf de H. Geest zich hier onmiddelijk in een derde ligchaam en wel de allereerste maal, in vurige tongen op de hoofden der eerste priesters of leeraars nederdalende —waaruit tevens blijkt dat. niet regelregt Christus zelf, doch de H. Geest dit als stichter der kerk heeft ingesteld, • het evenwel nemende uit het zijne, alleen dus nederdalende op de door Jezus zeiven gekozene discipelen. Later geschiede elke aanstelling natuurlijk door middel der aldus onmiddelijk aangestelden en zoo verder, en wel door handoplegging of aanraking zooals ook Jezus zelf door oplegging der handen,,blijkens Mark. X vs. 16 gewoon was, den een of ander tot den rang der zijnen te ordenen. De Apostelen echter werden eerst als zoodanig geordend bij de Uitstorting des H. Geestes — tijdens Jezus waren zij discipelen die door zijn onderwijs en leiding tot Apostelen geformd moesten worden.

Evenals nu de leeraars door Handoplegging in het Heiligdom tot hoofden en bestuurders er van geordend worden, zoo de anderen tot zelfstandige leden er van. Ook hier is het uitwendig teeken dus geen derde ligchaam als tusschen den bedienaar en hem die 't ontvangt, tenzij men dan met zekerheid zou kunnen bewijzen dat 1 Joh. H vs 20 en 27 eene materieele en niet eene bloot geestelijke zalving aan-

Sluiten