Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om het verlies van den wijn of van Christus bloed te beletten. Van ganschen harte hoop ik Pius! dat dit gebeuren zal, omdat groote gevolgen daarvan inderdaad te wachten zijn. Dan toch kan op het altaar altijd het brood en de wijn voor allen bereid zijn, als het hun noodige ligchaam en bloed van Christus, elk afzonderlijk. Niet langer zal er dan ook behoefte zijn aan die scheiding, die daar steunde op eene voorafgaande inéénsmelting die niemand eenig nut opleverde; niet langer dus ook behoefte aan dat zwaard des woords; want dan zal al dadelijk, altijd en overal, voor allen het brood bereid zijn, niet als het ligchaam van Christus dat als zoodanig het bloed reeds in zich zou sluiten , doch enkel en alleen als zijn vleesch, en de wijn enkel en alleen als zijn bloed . . en niet slechts de offeraar sal dus behoefte hebben als den gansehen Christus onder elk teeken te genieten, hebbende Hem onder elk teeken, edoch gedeeld door het zwaard des woords, ganseh en al geofferd, doch allen zullen zijn vleesch smaken alleen onder de gestalte des broods, zijn bloed drinken onder de gestalte des wijns. De plegtigheden in uwe Kerk bij de viering des H. Avondmaals zullen dan ook niet langer de natuur eens zoenoffers verraden, doch het zal alleen een lieflijk gedenkoffer zijn. Maar zoo zal dan ook het dagelijks offer niet langer eene verloochening zijn der geheel eenige offerande van Christus eenmaal aan het kruis geschied; doch van die voldoende offerande slechts eene dagelijksche voorspiegeling.

Hetzelfde nu, Eerwaardige Pius! moet indien ik wel zie, ook van de viering der overige Sacramenten of plegtigheden gezegd worden, door welke eveneens een specifiek onderscheid tusschen leeken en geestelijken wordt daargesteld. Ook de daarover loopende questies zijn, indien ik mij niet bedrieg, bloot questies van form. Daar kan en daar moet veel veranderd worden, indien het waar is wat wij bij Bellarmijn, den begaafden schrijver der kerkelijke Symboliek lezen, dat namelijk: de Kerk is Des Heeren zich eeuwig verjongende menschheid, zooals wij (dit laatste voeg ik er bij) in Psalm CIII lezen van de jeugd des arends. Indien dus voor

Sluiten