Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar zij blijven daarom niet vrij van verwarring, waar zij spreken over kerkelijke eenheid. Voor den Paus willen zij Christus in de plaats stellen, voor Rome en Dordrecht het Evangelie. Maar eilieve, hoe kent men die Christus, zoo niet door de twaalven, die hij zelf daartoe koos, daar Hij zelf immers geen eigen geschrift naliet? De Evangelisten waren ook Apostelen of Apostolische medgezellen. Wie dan Catholieke eenheid wil, Hij kieze die, welke zich eenmaal in het nieuw Jeruzalem zal verheerlijken (Openb. XXI vs. 14) de eenheid der veelheid, juist als zoodanig waarachtig (niet de eenheid zonder contróle — de pauselijke onfeilbaarheid).. doch hij spreke dan ook nooit langer van een krypto-Catholicisme, noch denke zich eene eenheid aan het einde met toch nog verschillende kerkgenootschappen — want het Evangelie , dat zij met ons willen, is zoo één dat het elke tweeslagtigheid, die ontstaan zou, juist door de veelheid in de eenheid verteert en uitwerpt. (Galaten H vs. 11-21).

Alleen bij wijze van dubbel bijvoegsel diene nu nog het dubbel berigt, dat ik niet van plan ben een enkel gemotiveerd antwoord te geven, noch op eene recensie van de Tijd dd. 25 November '69, noch ook op de brochure getiteld: De brief aan Paus Pius IX van F. W. Smits, Predikant te Hellevoetsluis toegelicht door J. de Bruijn, R. C. Priester en Professor aan het Seminarie te Warmond, overgenomen uit De Catholiek, December 1869 en Januarij 1870. Ware toch de Noordbrabander van 8 April jl. niet zoo vriendelijk geweest mij zijn Bijblad te zenden, dan had ik niet eenmaal geweten dat deze brochure bestond. Hoewel ik namelijk juist om een eerlijken strijd uit te lokken, aan alle Bisschoppen van Nederland, en zoo ook aan de redacties van De Catholiek, De Tijd enz. present-exemplaren mijner Epistola heb toegezonden, zoo heeft Catholiek en Tijd de verregaande onbeleefdheid begaan mij wederkeerig de critieken niet toe te zenden, en mij dus buiten de mogelijkheid gesteld van er geregeld op te repliceren, want eerst bij de bewerking van mijn vierde stukje kwamen zij mij in handen. Een mijner Roomsche vrienden, hoewel blozend over den in-

Sluiten