Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vergieten gewende kind des vloeks de glans der metalen, de toonen der schalmeijen in bloedverhittende wijzen meer bevielen, dan de eenvoudige prediking van en in den Naam des Heeren. Die afgodendienst streelde het vleesch en de mensch werd vleesch. Dit nam des te meer de overhand, toen ook de kinderen van seth door den nevel der afgods altaren en der beschaving en vrijheid des vleesches der afgodendienaars bedwelmd, in verlichte verdraagzaamheid van gemengde huwelijken zich met hen vermengden. De verdorvenheid nam zoo de overhand, dat Satan op het punt was zijn doel te bereiken, en Gods Naam, in volkomen afval der gezamenlijke menschheid van God. te zien ondergaan.

De Heüige Schrift zegt ons, dat de aarde eene schouwplaats van geweldigen, en mannen van name was geworden. De roem der menschen klinkt nooit geweldiger over de aarde, dan wanneer het gelukt is, de verheerlijking van den Naam van God tot zwijgen te brengen. Maar de Heere zag, dat de boosheid des menschen menigvuldig was op de aarde, en dat al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was (Gen. VI : 1—7) en kwam weder tnsichënbeide. De zondvloed zuiverde de aarde, en maakte door de verkorting van het menschelijke leven, dat het nooit weder tot volslagen verdorvenheid kon komen. De dood, als uitvoerder van de straf Gods, is sinds geweldiger, en ons leven gaat voorbij als een rook. Door Satans boosheid kwam de zonde in de wereld, en door de zonde de dood. Door Gods magt wordt de dood een werktuig, om Satans werk te verstoren. Wat van den boom des levens (Gen. Hl: 22) geschreven staat, vindt hier zijne verklaring.

Een nieuw geslacht ontstaat na den zondvloed. Wij vernemen terstond, dat ook noachs bloed niet meer rein was van Kaïnietische vermenging, hoewel ook in hem zeiven, als onmiddelijken nakomeling van seth, dit nog het geval mogt zijn. In allen gevalle was de door Gods genade geredde familie de beste, die gevonden kon worden. Dat ook bij het plegtige offer van noach, de Heer het oordeel, dat het gedichtsel van 'smenSchen hart van zijne jeugd aan boos is, (Gen.

Sluiten