Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den algemeenen vloek van Satan, en deze een was voldoende, om allen volkeren op aarde te zegenen. Zoo was een woord van den Heer toereikend, om Satan en alle hem aanhangende volken te schande te maken.

God brgon nu werkelijk zijn rijk te vestigen. Stil en onbeduidend scheen de aanvang. Als vreemdeling in Kanaan, leefde de familie van den aartsvader. Terwijl de ongeregtheid van den tegenstander de wereld doorgaat, roept God een volk van geloovigen, aan hetwelk Hij de heerlijkheid van Zijnen Naam en den zegen van Zijnen genaderaad openbaarde. Abraham heeft God geloofd en zijn kleinzoon ziet op het.sterfbed het heil der wereld. Op uwe zaligheid wacht ik, o Heere!

Uitwendig onderscheidt zich dit nieuwe volk, dat tot bakermat des Messias, tot het zaaiveld van het Evangelie, dat de wereld en Satan overwinnen zou, uitverkoren was, niet van andere menschen. Ja, zij zijn voor de verleiding toegankelijk, aan de zonden onderworpen, maar God waakt over hen, dat hun geloof niet ophoude. In Egypte wordt het huisgezin van 75 personen, in 400 jaar, een groot volk. Het zondert zich af van de andere volken, zoo als de aartsvaders, zonder regt te weten waarom. Zonde en gruwelen woekeren intusschen op aarde, en vooral de ongeregtigheden van kanaSn reiken tot aan den hemel. Hier had God zich van oudsher geopenbaard. Hier leefden de aartsvaders en verkondigden den Naam des Heeren. Job en zijne vrienden als bewaarders van het Woord Gods, zoo als hun vader sem, leefden hier met vele Semieten een leven: eenvoudig, godvreezend en vermeden het booze. Evenwel geven de volken van Kanaan zich geheel in de dienst van Satan over, en rijpen des te meer voor het gerigt Gods, hoe nader hun het heil geweest was.

De magt des Boozen, die de wereld verwoest, wordt op het nieuwe volk opmerkzaam. Reeds is het op 'tpunt, welgevallen te vinden aan afgoderij, toen de vervolgingen van eenen Pharao het in eeue zware school bragten. De Pharao, tijdens wiens regering jakob in Egypte kwam, weet nog van God en vereert den Geest Gods (Gen. XLI: 38).

Sluiten