Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor den Antichrist te hoeden, de toekomst des Heeren te verheiden, cn Hem te gemoet te ijlen. (2 Petr. II en III). Het was gewis uit zijn hart geschreven, dit schoone woord: God wederstaat den lioo vaardige, maar den nederige geeft hij genade!

Aan dit eene voorbeeld kunnen wij zien, hoe moeijelijk het leeraarsambt van jezus Christus op aarde geweest is; hoe moeijelijk het den natuurlijken mensch, zelfs onder de leiding van jezus geworden is, in de diepte zijner openbaring te zien; daarom kon ook zonder eene groote wonderdaad der Goddelijke liefde en almagt geene verlossing van zonde, en zonder Zijne kracht geene zaligheid verkregen worden. Eerst de uitstorting des Heiligen Geestes en Zijne leiding kan ons al de waarheid doen verstaan. Derhalve zegt de Heere ook aan al de Zijnen, dat zij zonder den bijstand van Zijnen Geest niet eens de waarheid kunnen verdragen. Deze onbekwaamheid des zondigen menschen behoefde daarom de nederbuigende liefde Gods tot ons, zoo als Hij die den eersten menschen bewees en eene herhaling Zijner waarschuwingen. Zoo als Hij in het Paradijs waarschuwde voor den boom der kennis, om den dood af te weren; even zoo waarschuwt' Hyii in de Kerk voor het bedrog van den Antichrist, om het eeuwig verderf te ontkomen. Wie uit de waarheid is, die hoort Zijne stem.

De jongeren hadden onder andere voordeden ook dit nog, dat zij zich verbeeldden, dat de Heere zeer spoedig Zijn rijk moest voleinden* Toen zij eindelijk Zijn lijden en sterven en Zijn hoogpriesterlijk ambt verstonden, meenden zij, dat het einde der wereld ook tegelijk met de aangekondigde verwoesting van Jeruzalem en de vefstrooijing der Joden over de aarde, volgen moest. Van daar hunne vraag, toen Hij van de straf over Jeruzalem sprak: «Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn? En welk zal het teeken zijn van Uwe toekomst en van de voleinding der wereld?" En toen de Heere gereed stond om van hen te scheiden, vraagden zij Hem weder: Heere! zult gij in dezen tijd aan Israël het koningrijk weder oprigten? (Handel. Hl: 6) waarop Hij hun antwoordde: »Het komt

Sluiten