Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reld, zonde noch satan kan hen rukken uit de handen des Vaders; zij zullen, zij kunnen niet verloren gaan; wanta wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods ? De zaligheid, van voor de grondlegging der wereld voor hen bepaald in den verordineerden raad Gods, zullen zij zeker deelachtig worden; noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch inagten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander schepsel zal hen kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in christüs jezus hunnen Heèr.

C. De vraag, welke ons eindelijk na al het behandelde nog ter beantwoording overblijft, is: welk een gebruik wij voor ons zeiven van dit leerstuk der eeuwige en vrijmaglige verkiezing Gods te maken hebben ?

a. Mij dunkt, er zijn er misschien velen in ons midden , die bij bet hooren van deze waarheid reeds de tegenwerping gemaakt hebben : Maar hoe, leidt zulk eene leer niet tot zorgeloosheid , onverschilligheid en losbandigheid ? Als het waarlijk alzoo is, dat God van eeuwigheid naar zijn vrijmagtig welbehagen sommigen heeft uitgekozen tot verkrijging der zaligheid, terwijl Hij daarbij anderen is voorbij gegaan, en die personen reeds bij Hem bekend zijn, dan is het, zeggen anderen, even hetzelfde, hoe of op welke wijze men leeft, men kan aan de zaak dan toch niet af- of toedoen, of wij dan goed of kwaad doen. Ben ik uitverkoren, dan zal het kwade te doen mij niet schaden ; ben ik niet uitverkoren, dan zal het goede te doen mij niet baten, en laat ons dan maar in de zonde voortgaan , leven naar de lusten, begeerten en opwellingen onzes harten, opdat de genade Gods des te grooter over ons worde. Arme mensch! die zoo spreekt, of door een leven in de zonde doet blijken, dat gij alzoo aangaande deze dierbare waarheid Gods verkeert en werkzaam zijt; die dezelve ontkent of tot een zorgeloos, onverschillig en Ongebonden leven aanwendt, om zooveel te vrijer en geruster te kunnen blijven voortgaan in de zonde, of uw geweten, als het u aanklaagt, zoo veel te gemakkelijker tot zwijgen te brengen. Dat gij hetzelve verwierpt, indien het een leerstuk ware, dat wij u wilden opdringen, wij zouden uWe waarheidsliefde moeten billijken, als, gelijk van die van Bereën, getuigd mogt worden, dat gij dagelijks de schriften onderzocht, of de dingen, die u ver-

Sluiten