Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het recht der kooplieden, voor zoover dit afwijkt van dat der niet-kooplieden, en het recht der handelsdaden, voor zoover dit afwijkt van het recht der niet-handelsdaden, m. a. w. het eigenaardige recht van den handel. Verlangd wordt dan ook slechts, dat die uitzonderingen op het algemeene burgerlijke recht, welke den inhoud van het eigenaardige recht van den handel uitmaken, verdwijnen, en wel meerendeels, wat geenszins uit het oog verloren mag worden, door ze van uitzondering tot regel te verheffen. Dat het handelsrecht, in zijne uitgebreide beteekenis als recht van den handel, d. w. z. van den omzet van waren en al hetgeen daarmede in verband staat, geen reden van bestaan zou hebben, is daarentegen nimmer beweerd. Het zal, gelijk het altijd bestaan heeft, blijven bestaan, zoolang er handel is. Alleen wordt betoogd, dat het evenmin noodzakelijk is om het af te scheiden van het burgerlijke verkeersrecht en het afzonderlijk te regelen, als daaraan behoefte bestaat ten aanzien van het recht der voortbrenging en van het verbruik van waren en al wat daarmede in verband staat. Allerminst heeft men zich over de zoogenaamde historisch-handelsrechtelijke instituten ongerust te maken; ook zij zullen intact blijven. Trouwens wat beteekent hun historisch-handelsrechteïijk karakter anders, dan dat zij geene Romeinsch-rechtelijke doopceel kunnen vertoonen ? Of zijn misschien de wissel en de verzekering verschillend geregeld of zelfs ooit geregeld geweest, naar gelang een burger of een koopman zich daarvan bedient, of zij ten dienste strekken van de voortbrenging, den omzet of het verbruik van waren? De zoo* genaamd historisch-handelsrechtelijke instituten maken inderdaad in ons positief recht reeds een deel uit van het

Sluiten