Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naijn lief kind! moogt gij gelooven, dat de Heere u genade geschonken heeft en nog verder schenken zal? — Ja, vader; de Heere heeft zijn ontferming aan mij bewezen, tot verkwikking mijner zieL O! voor mij, rampzalige, heeft Hij zijn bloed gestort!

Des avonds van denzelfden dag beliefde het den Heere haar te verzekeren, door het geloof, van haar aandeel aan Jezus Christus,' als haar volkomen Zaligmaker. Des avonds te negen uur vroeg haar een schipper, welke ook God vreesde, hoe zij het voor haar gemoed had? Afgemat door pijn en het veel spreken, zeide zij: het is zoo ruim niet als het geweest is; maar dit weet ik, dat mijn Verlosser leeft en dat Hij ten laatste over het stof zal opstaan; en als de wormen mijn huid zullen doorknaagd hebben, zal ik uit mijn vleesch God aanschouwen, en mjjn oogen zullen Hem zien en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijnen schoot; en daar mag ik nog staan.

De daaropvolgende nacht was haar verkwikkelijk niettegenstaande haar smartelijke pijn. Als overstelpt van het gevoel der liefde Gods en het vertrouwend werkzaam zijn met Jezus Christus, als haar Borg en Zaligmaker, zeide zij, terwijl men haar oprechtheid uit haar gelaat kon bespeuren: ziedaar, drieëenig, volzalig God! en mijn zalige Heere Jezus! daar is mijn ziel en lichaam, zoo vuil en besmet door de zonde als het is; ik geef het aan U voor tijd en eeuwigheid. — Zij had een heilig verlangen naar de plaats der volmaaktheid, ofschoon de groote liefde, van voor de nooit begonnen eeuwigheid aan haar, ellendige, bewezen, voor haar ondoorgrondelijk bleef. Dikwijls werd zij dien nacht verwaardigd, op een heilige en verstandige wijze, in het verbond met een drieëenig God geloovig werkzaam te zijn, niet als een kind van die jaren, maar als een oud, ervaren Christen, die al vele jaren dien weg bewandeld had, zoowel in begrip als taal. Zeer verlangend werd haar begeerte opgewekt naar Gods gemeenschap en de genieting van Christus' liefde, zeggende na een zware vlaag van pijn: vaderlief! ik heb dorst. — En na het drinken, dat haar vader haar gegeven had, zeide zij: och! wat smaakt dat; maar ook alzoo dorst mijn ziel naar God, naar den levenden God.

Des Woensdagsmorgens, voor het aanbreken des dageraads, scheen de vijand haar angstvallig te maken tegen den dood, door haar in te boezemen, dat zij een smartelijken en benauwden dood zou hebben. Waarop zij tot haar vader zeide: die bittere dood! die bittere dood! — Schoon haar vader hierover gevoelig was aange-

Sluiten