Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ach! wat is dat leven zoet, Als men God, het hoogste goed, In zijn ziele mag genieten!

Niet verder door vermoeidheid kunnende zingen, viel zij weder achterover, terwijl elk zich verwonderde over zulk een hemelsch gezang van zulk een verzwakt kind.

Hierop sprak de vader: mijn lief kind! uw lichaam is te zwak om te zingen; gij kunt het niet dragen. — Waarop zij antwoordde: vaderlief! mijn tijd zal hier kort zijn, dat ik den Heere op aarde kan verheerlijken; daarom moest ik nog eens zingen, omdat mijn lieve Heere Jezus mij zoo goed is. Dikwijls heeft zij onder de grootste smarten uitgeroepen: ik sterf van liefde en begeerte; o! wanneer zal ik bij mijnen lieven Heere Jezus zijn!

Ook nam zij dien namiddag afscheid van een godzalige vrouw, welke zij lang gekend had en die haar spoedige aflossing toewenschte, wat zij met blijdschap aannam.

De doctor, die des avonds met aandoening het gesprek des kinds en haar blijdschap over haar naderend vertrek gehoord had, zeide: o, meisje! ach, kind! wat zult gij een gelukkige verhuizing doen! — Zij zeide: ja, mijnheer! dat is nu mijn éénige troost, dat ik met lijf en ziel, beide in leven en sterven, niet mijns, maar mijns getrouwen Zaligmakers, Jezus Christus, eigen ben. — Zij geraakte, door pijn overmeesterd, zoo het scheen, in eenige moedeloosheid, doch zij wendde zich biddend tot den Heere en zeide; ach, Heere Jezus! wat houdt Gij met mij eenen bitteren weg naar het lichaam; ik kan de pijn niet langer verduren zonder uw ondersteunende genade! — Haar zuster zeide: lieve zuster! de Heere is nabij allen, die Hem aanroepen. — Ja, zuster! die Hem aanroepen in geest en waarheid; Hij doet het welbehagen dergenen, die Hem vreezen; en Hij hoort hun geroep en verlost ze; zoo zal Hij ook mij verlossen.

Tusschen Woensdag en Donderdag, des nachts, werd haar moeder bedroefd wegens haar smartelijken toestand; nochtans troostte zij haar met het eerlang te genieten schoon vooruitzicht: zonder pijn bij haar Verlosser te wezen. Met verlangen riep zij uit: kom, Heere Jezus! kom haastelijk; wat zal het bij U heerlijk zijn; was ik maar bij U!

Des Donderdagsmorgens, zijnde de dag van haar sterven, zeide zij: vaderlief! mijn ziel gaat naar den hemel; daar zal ik volmaakt

Sluiten