Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ondersteunen, om zijn eer te verdedigen. Gedenk, dat ik het u met stervende lippen gezegd heb.

Kwamen er bij haar, die zoekende naar den Heere Jezus waren gemaakt, dezen bemoedigde zij, zeggende: ach! blijft maar zoeken. Zoo het u in waarheid om Hem te doen is, zult gij Hem ook waarlijk vinden; Hij zal zich eenmaal gewis op zijnen tijd aan u ontdekken; want Hij heeft zich aan mij, wat ik nooit gedacht had, laten gelegen liggen, opdat ik Hem vinden mocht.

Hierop geraakte zij weêr in een strijd wegens haar lijden, of zij wel een van God begenadigde was, waarom zij haren vader vroeg of het wel de weg van Gods kinderen was, om zoo zwaar bezocht te worden. — De vader zeide: lief kind! gedenk aan de oude, heilige mannen, in Gods Woord vermeld, die door lijden geheiligd zijn; zie Gods eigen Zoon, Jezus Christus, van zijn geboorte tot zijn kruis; en dat niet voor zichzelf, maar vöor zijn beminden. — Echter schonk de Heere weder zijn vertroostend licht door zijnen Heiligen Geest, zoodat zij zich geloovig aan een drieëenig God mocht verbinden en gehoorzaam en onderworpen zijn aan zijn bestuur. Tot blijk van vereeniging en blijdschap, stak zij haar handjes op, dewijl zij klein van persoon was, en riep met luider stem: ach, mijn lieve Heere Jezus! haal mij nu maar weg! — Zij verzocht haar ouders bij haar, wien zij teederhartig haar afscheidskus gaf, met verzoek of zij haar wilden vergeven hetgeen zij misdaan had. — Ach, mijn lief kind! zeiden zij beiden, het is al lang u vergeven. — Zij zeide: dan is het wèl; zij zijn bij den Heere ook vergeven; en nu ga ik sterven en naar den hemel, waar ik u alle drie wachten zal. — Nu begeerde zij nog haars vaders laatsten kus en zeide: wat zal ik mijn lieven Heere Jezus kussen! Ik zal Hem aan zijn hals blijven hangen. Vaderlief! ik dank u voor uw getrouwe bestiering, als middel in des Heeren hand, dat gij mijnen rampzaligen, verloren toestand mij getrouw hebt onder het oog gebracht, en ook voor uw gebed om mijn bekeering, hetgeen de Heere wilde bekronen, door zijn wonderen van genade aan mij te openbaren. Maar, vader! wat word ik koud; maar in den hemel zal ik geen koude meer hebben; daar zal mijn lieve Heere mg wel verwarmen.

Een weinig voor twaalf uur zeide zij: vaderlief! wijzende naar het voeteneinde, wie staat daar? — Kindlief! ik zie niets. — Ja. vadertje! ik wel; daar staat hij; daar staat hij, die mijn ziel naar den hemel brengen zal. Daarop was zij stil, maar schijnende in een verrukking van zinnen, als dood buiten haarzelve. Waarop door

Sluiten