Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alle oorgetuigen, uit haar slaapplaats, een liefelijk, aangenaam, maar tevens onbeschrijfelijk geluid, dat zeer lang duurde, gelijkende naar heldere, zachte muziek op een zilveren speeltuig, driemaal gehoord werd. Omtrent één uur des middags scheen zij te sterven; doch na eenigen tijd ontwaakte zij als uit eenen zachten slaap en begeerde iets te drinken; zij zeide: ben ik nog hier? Wat doe ik hier langer? Ach, lieve Heere Jezus! waarom neemt Gij mij niet bij u? Moet ik hier nog langer zijn? Omtrent twee uur na den middag begeerde zij, dat haar vader nog eens voor haar bidden zou, al was het maar zuchtende, om ontbonden te worden. Haar vader, zeer aangedaan in zijn gemoed, zeide: lief kind! het zien van uw smart maakt den opgelegden plicht mij ondoenlijk. —Ach, vaderlief! doe het maar met elkander; de Heere hoort immers zelfs het zuchten! Wellicht is dit mijn laatste verzoek. — Op dit zeg-, gen als gedrongen, bogen zij zich met elkander voor den eeuwigen Ontfermer neder, smeekende den Heere, zoo het Hem believen mocht, haar spoedig te ontbinden. Het gebed geëindigd zijnde, dat haar veel verkwikking had toegebracht, riep zij verlangend uit: kwam de Heere Jezus nu maar, om mij tot zich te nemen!

De dood scheen haar ten tweeden male te naderen, met alle voorteekenen van haar einde. Zonder blijken van leven, lag zij eenigen tijd stil; echter ontwaakte zij weder als uit eenen zachten slaap, maar zeer pijnlijk naar het lichaam; zij riep met verwondering uit: ik dacht, dat ik al in den hemel was! En ben ik nog hier? Heere Jezus! stelt Gij het nog langer uit? Moet ik uw bijzijn nog langer missen? Mag ik uw onmiddellijke nabijheid nog niet genieten ?

Andermaal geraakte zij weêr in bestrijding door ongeloof, gelijk zij aan haren doctor openbaarde; zij zeide: doctor! de Heere heeft mij getoond, dat Hij mij dezen middag tot zich zal nemen, en het wordt nu al zoo laat; nu vrees ik of het met mij wel goed staat. — De doctor antwoordde: wel, kindje! de Heere heeft u niet getoond, dat het juist dit uur zal zijn, maar wel in dezen middag; Hij zal u ook tot zich nemen; uw einde is nabij; gij zijt aan de poort des doods. — Zij zeide: mijnheer! kunt gij dat verzekeren, dan is het wèl; die gelooft, zal niet haasten. — Kort daarop werd zij weder aangevallen door des duivels inwerpingen, dat zij tegen den Heiligen Geest gezondigd had, omdat zij zooveel tegen het licht van haar gemoed gezondigd had, hetwelk zij openbaarde aan een oud, ervaren Christen. — Och, mijn kindje! zeide hij, gij hebt in uw

Sluiten