Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Schoon ik denzelven uit verplichting en voor de menschelijke ■wellevendheid, naar tijdsgelegenheid, waarnam, was het altijd voor mij onsmakebjjk en verdrietig; maar dezen onlust en verdrietelijkheid openbaarde ik niemand, uit vrees van versmading, alhoewel ik dezelve welvoegelijk aehtte. Was ik onder het gehoor eener predikatie , waar de zonde door den leeraar ernstig bestraft werd, — daarvoor was ik niet geheel ongevoelig, vooral niet, als het mijn wandel betrof; dan onthield ik mij, zooveel doenlijk was, van in het oog loopende buitensporigheden, zoolang die drukking en het gevoel duurde, uit vrees voor de plagen, die op de zonden volgen. Om mijn geweten gerust te stellen, nam ik mij voor, om niet anders dan onzondige vermaken bij te wonen en die mij niet konden verontrusten, om geen reden te geven van lage denking.

Eenigen tijd daarna werd mijn lust tot lezen opgewekt, niet zoozeer lichtvaardige boeken, maar die vermakelijk en stichtelijk waren: als van heerlijke deugden en welsprekende geleerden, omdat die voor mij verstaanbaarder waren dan de Bijbel. Terecht zegt de apostel Paulus in I Cor. 2: 14 : „Maar de natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden."

Dat de wegen des Heeren oneindig verscnillen van die der menschen, openbaarde zich in dezen, alhoewel te dier tijd onverstaanbaar voor mij, waarom die geliefde en beminde boeken, die ik boven Gods Woord schatte, mij ten middel moesten strekken tot beschuldiging van mijn ongelijkvormige levenswijs, wegens hun heilige voorstellingen, hoe het een Christenmensen betaamt te leven, hetwelk met het mijne veel verschilde, zoodat het voor mij een doolhof van verwarring werd en mij groote onrust teweeg bracht. Overtuigend gevoelde ik, dat alles, door mij betracht, ongenoegzaam was bij zulk een Christenleven; en hoewel het mij benauwd was, openbaarde ik het niemand, uit vrees van verdacht te worden zóó slecht te zijn.

Toen ik circa 20 jaren oud was, vermaande mij de leeraar, bij wien ik mijn'belijdenis had afgelegd, om mijn belijdenis dooreenen goeden wandel te versieren, hetwelk ik gaarne aannam, om van mijn benauwdheid niet verdacht te worden, schoon alles tegen mij getuigde. Zoo leefde ik eenen geruimen tijd afwisselend voort, toen het, nu bijna 21 jaar oud zijnde, gebeurde, dat ik des nacht verschrikt wakker werd, gepaard met een sterke gedachte, alsof in

Sluiten