Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den slaap mg gezegd was, dat ik niet zalig kon worden. Hoe of wat zulks was, kon ik niet begrijpen, dan alleen, dat het mij treurig was, te meer, omdat ik het stellig geloofde waar te zijn, hetwelk mij geweldig ontrustte, zoodat mg niets ter wereld, zoo mij dacht, kon troosten, noch tevredenstellen. Wat ik ook voornam tot verzet, — gestadig dacht ik er aan, dat ik een verworpeling was; ja, zelfs als ik het woord verworpeling las of hoorde noemen, was ik vol van angstigen schrik, even alsof ik den angst der hel gevoelde.

In deze ontsteltenis bad ik tot God dikmaals, om van deze angsten ontslagen te worden, maar met een dor en verhard hart, vol van duisternis en twijfelingen. Eenigen mijner goede vrienden, die ik iets van mijn treurig verkeer geopenbaard had, waren voor mg nietige vertroosters; de een zeide, dat ik zulke zwaarmoedige gedachten uit mijn hoofd moest zeften en God bidden en danken, naar gelegenheid, zoo het behoorde, als een onzer grootste verplichtingen, zooals ik doe, wanneer ik opsta, bij het ontwaken, of wanneer ik mijn voedsel gebruik, of des avonds mij nederleg ter ruste; daarom heb ik zulke zwaarmoedige gedachten niet. — Een ander zeide, dat ik mg zoo niet moest ontstellen door zulke vervoerende gedachten ; wat is er op uw gedragingen te' zeggen ? Gij hebt immers vroom en deugdzaam geleefd; gij zijt geen dronkaard, of vloeker, of diergelijke ooit geweest!

Waarop ik antwoordde, dat een Heiden veel vromer leefde dan ik; ik, die als een huichelaar verkeerd heb, om door een schoon gelaat de oogen der menschen te bedriegen! Maar het hooge Opperwezen, dat harten en nieren beproeft, ja, die het innige der gedachten kent en voor wien niets verborgen is, dien kan men niet bedriegen, gelijk ik tot nu toe heb willen doen.

Maar in deze benauwdheid waren alle beproefde middelen van verbetering des levens en aangebrachte pogingen, om tot meer rustige gedachten te geraken, vruchteloos; zelfs raad van vrienden was mij tot verzwaar. Nu was er nog een middel, zoo mij dacht, om in déze hopelooze benauwdheid te beproeven; ik nam mijn toevlucht tot een godvruchtig leeraar, van wien ik veelmaals had hooren spreken en wien zulke wegen niet onbekend waren. Dezes deftigen mans woorden en vertroostingen te herhalen, zou voor mij, in die verwarrende gedachten des gemoeds, onmogelijk zijn, om ze mg' naar orde te herinneren; evenwel hoop ik het te doen, zooveel mg' te binnen komt.

Ik verhaalde hem de reeds verhaalde gebeurtenissen van dien

Sluiten