Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo leefde ik eenigen tijd onder herhaalde wisselingen voort; maar de Heere, wiens werken en leiding niet te doorgronden zijn en dié* alles werkt naar zijnen wil en welbehagen, deed een geruimen | tijd daarna dienzelfden angst met verschrikkingen wederkeeren, en wel met zulk een duisternis voor de toekomst, dat mij alles veroordeelde. Ja, het was of de helsche angsten mij zouden verslonden hebben; en ik kon niet bedenken wat daar de oorzaak van was, dan van God voor eeuwig verworpen te zijn; nu, dacht ik, was er niets zoo krachtig, om mij van het tegendeel te overtuigen; want onderzocht ik Gods dierbaar Woord, — alle gewisse ondergang was op mij toepasselijk. Nu gevoelde ik hoe ijdel ik op mijn kennis en eigen deugd vertrouwd had, als een zandgrond voor de eeuwigheid, buiten het éénig fondament Jezus Christus, als de éénige weg, de waarheid en het leven.

In deze bekommernis nam ik weder de toevlucht tot mijnen ouden leeraar, wien ik mijn hopelooze bezwaren bekendmaakte, die mij zeide, dat ik moest denken, dat mij niets vreemds overkwam; het is des Heeren weg van de vroegste tijden af, om de belijdenis hunner zonden (Ps. 32:5: „Mijn zonden maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheden bedekte ik niet.") en het gevoel hunner onwaarde, dat al onze gerechtigheden als een wegwerpelijk kleed zijn, recht te doen verstaan, als een oefenschool voor den armen zondaar, om zichzelven te verliezen, tot zijn eeuwige behoudenis. GelijkDavid zegt in Ps. 30: 6: „Want een oogenblik is er in zijnen toorn, maar een leven in zijn goedgunstigheid." — En de apostel Paulus in Rom. 8: 28: „Dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar zijn voornemen geroepen zijn." — Zie het door zoovele voorbeelden van Oud en Nieuw Testament bevestigd, hetwelk gij, naarmate des lichts, daarna zult moeten bekennen.

God zal zelf zijn Leidsman wezen, Leeren hoe hij wandlen moet.

Maar al hoorde ik al deze vertroostende bewijzen uit Gods Woord, het was, vanwege mijn benauwdheid en bestrijding, even alsof het mij niet aanging; ik was verslagen en sprak niet.

Op eenmaal riep ik uit: o! had ik maar een hoopje, om de allerminste in het koninkrijk Gods te worden, om de minste genade te mogen genieten, al was het maar hij mijn sterven. O! hoe begeerlijk is de gunst van God! Hoe gelukkig zijn dezulken, die uit eeuwige

Sluiten