Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren geneigd huns meesters voetstappen te volgen, een sieraad te zijn in hun gezelschap en voordeelige werktuigen in de Kerk van Christus.

Hij had altoos veel geneigdheid tot bidden, in zooverre, dat, als hij met een of meer vrienden gesproken had en in gezelschap was geweest, zij te zamen moesten bidden, eer zij scheidden. Dit deed hij ook tweemaal daags in 't collegie, voor en met de studenten, die hij liever bezig hield met dit profijtelijk werk dan met diepzinnige vraagstukken, tegenwerpingen of dingen, die meer het oor streelen dan het hart bekoren en raken; zijn geest was ernstig, zijn gestalte eerbiedig; zijn woorden waren weinig, maar van gewicht en nadruk, vol van zijn nederige en ernstige begeerte, vermengd met heilige vrijmoedigheid; en hij naderde tot God, gelijk het een schepsel past, dat verbaasd staat over de majesteit van zijnen grooten Schepper. Hij bad met den geest en ook met verstand. Hij beleed zijn zonde met smart, met inwendigen haat en verfoeiing van dezelve. Hij smeekte om barmhartigheid, zooals iemand, die het gebrek en de waardij voelde van hetgeen hij zoo ernstig zocht, met geloovige en ootmoedige smeekingen. Zijn hartstochten werkten redelijk en krachtig.

Dit had op de hoorders te meer invloed, omdat ze zijn woorden klaar bevonden en overeenkomende met de wezenlijke gestalte van den spreker. Er zijn velen, die, zoolang het bidden en prediken duurt, zeer aandachtig en opmerkzaam schijnen. Maar ziet hen eens buiten den predikstoel. Dan zijn zij even licht en ijdel als iemand anders. Maar met Mr. Alleine was dit niet zoo. Hij was altoos gestadig, ernstig, zelfs boven zijn ouderdom en tot verwondering van allen, die zulk een jongen prediker zagen uitblinken in leer en leven. Hij stelde God altoos vóór zich; en overal, waar hij was, arbeidde hij, om heilig te wandelen, als in des Heeren tegenwoordigheid. Hij was bezorgd, om den godsdienst tot zijn bezigheid te maken, en trachtte bij Gods licht en naar den regel van zijn Woord te wandelen. Zijn gansche oogmerk, in al zijn wegen, was zich te gedragen en zich te schikken naar zijnen hemelschen Vader, die alles zag in 't verborgen; en hij oefende zich dagelijks, om een onergerlijke consciëntie te hebben voor God en voor de menschen.

Wat aangaat het vermaak der zonden, hij verfoeide die ten hoogste; ja, hij was er zooverre boven verheven, dat hij dezelve niet kon verdragen. Het was hem zoet, zooals Augustinus zegt, die zoetigheid te moeten missen. En wat geoorloofd vermaak aan-

Sluiten