Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te Oxford, was geheel bijzonder, onder wie hij eens, evenals Mr. Perkins deed te Cambridge, uit eigen beweging, in veertien dagen méér predikte dan anders in een geheel jaar, hen vermanende, om acht te geven op zijn" bediening, en hun veel brood en andere spijzen uitdeelende, op zijn eigen kosten. Hij was gewoon op andere tijden dikwijls te bezoeken degenen, die gering waren in de wereld, om hun tijdelijk gebrek te vervullen , terwijl hij bezig was , om hun zielen te helpen op den weg naar den hemel. Waarlijk* in al zijn verkeering, waar hij kwam, was hij als vuur, tót verwarming, verkwikking en levendmaking van allen, die omtrent hem waren, aanstekende in hen een dergelijken gloed en ijver voor God als hij had in zichzelf. Niemand kwam, om hem te bezoeken en met hem te verkeeren, of, indien de fout niet bij henzelven was, zij konden veel goedé door hem verkrijgen. Het was nauwelijks mogelijk in zijn gezelschap te zijn en niet zulke dingen van hem te hooren, die, als zij wel overwogen werden, genoegzaam waren, om de zonden te doen vertrekken en in liefde tot de deugd steeds te leven. Hij oordeelde dien dag gansch verloren, waarin niemand eenig goed van hem had genoten. Hij leefde, alsof hij verlevendigd was geweest door het zeggen van Tertullianus: „Tot wat oogmerk is het dienstig te leven en niet te leven tot eenig goed einde?" — Zijn groote liefde tot de zielen der menschen verhaastte zijn vertrek naar het land, om daar beter gelegenheid te hebben het goede te doen.

De goede getuigenissen, die zijn bloedverwant Richard Alleine van hem geeft, zijn waardig gelezen te worden. Van zijn afkomst, zegt die geleerde man, zal ik weinig zeggen. Hij was de zoon van een godzaligen vader, Mr. Tobias Alleine, een verstandig, teeder, nederig en godvruchtig Christen van groote ondervinding, die plotseling, maar heerlijk en zacht ontsliep, terwijl zijn zoon hem nauwelijks twee jaren overleefde. Eenigen tijd zwak geweest zijnde, scheen hij weder te herstellen. Hij stond op te vier uur. Te tien uur kwam hij beneden, uit zijn kamér, en vroeg wat te eten. Dit gereed zijnde, bad hij om een zegen, maar kon niets eten. Zijn vrouw, een schielijke verandering in hem ziende, verzocht hem, dat hij te bed zou gaan. Hij antwoordde: neen, maar ik wil in mijn stoel sterven. Ik ben niet vervaard voor den dood. Hij zat neder en zeide maar alleen: mijn leven is met Christus verborgen in God. En toen bedekte hij zijn oogen met zijn handen en-stierf in hetzelfde oogenblik.

Sluiten