Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eerwaardig predikant van Taunton, zeggende: Mr. Jozef' Alleinekwam mij te hulp in het jaar 1655, zijnde hij toen omtrent eenentwintig jaar oud. Hij was een jonkman van bijzondere hoedanigheden, geestelijk en natuurlijk. Zijn zielskrachten en genegenheden waren levendig; zijn geleerdheid was ver boven den gewonen trant, zijn heiligheid uitstekend, zijn verkeering voorbeeldig; en in 't kort: hij had een goed hoofd, maar nog beter hart.

Veel van zijn tijd bracht bij door in een verborgen wandel met God en verkeering met zijn eigen ziel; hij had veel vermaak , om in eenigheid bezig te zijn in godsdienstigheid, in 't gezicht des hemels en in de open lucht, wanneer de gelegenheid hem daartoe dienstig was. Vele dagen hield hij zich alleen; en dan, door zijn goede willekeur, ging hij naar een afgezonderd huis, om vrijelijk zijn stem te gebruiken, naar zijn genegenheid hem leidde, hetwelk hij niet kon doen waar meer inwoners waren, en opdat hij met God mocht verkeeren zonder aftrekking en verhindering.

Zijn gezelschap met anderen was altoos vermengd met heilige en hemelsche redeneeringen en samensprekingen; hij nam alle gelegenheden waar om te onderwijzen, te vermanen, te bestraffen en te vertroosten, hetwelk hij nooit naliet te doen, wanneer hij het noodzakelijk oordeelde, zonder ooit voor de uitkomst te vreezen. En waarlijk, zijn bestraffingen gingen vergezeld met zulk een nederigheid, teederheid, zelf veroordeeling en medelijden, dat zij zelden of nooit mishaagden.

In de plichten van de eerste tafel der Wet was hg zeer voorbeeldig ; zijn gerechtigheid was overvloediger dan die van de F arizeën ;• nochtans nam hij ook zeer nauwkeurig waar de plichten van de tweede tafel, als een man van zeden, die nooit bevlekt was met eenig onrecht of liefdelooze daad. De gebreken van vele belijdersin dit soort trokken) van hem veel gebeden tranen en zuchtingen. Zijn hart was milddadig, om naar zijn kracht goed te doen aan allen, maar meest aan de huisgenooten des geloofs. Hij was vol van heilige begeerte, om geestelijke en lichamelijke weldaden tebevorderen, ten beste van anderen, hetwelk hij zoo ijverig en naarstig voortzette, dat zij meest altijd een goeden uitslag hadden.

Hij was een man van buitengewone gaven, doch zich meest schikkende naar de gestalte van zwakke Christenen; hij handelde met hen in zulken ootmoedigen, beminnelijken en zoeten weg en zich zoo aanmerkende, om ook niet verzocht te worden. In hun beleden feilen en struikelingen was hij niet hard en veroordeelende, maar

Sluiten