Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van toen af scheen onze Jacob vroolijker, zeggende: Koningin! nu heb ik wat rust noodig. Weest vroolijk en vaart samen wèl!

Dit gezegd hebbende, ging hij te bed liggen; en als zij meenden, dat hij sliep, was hij aireede in den Heere ontslapen, zonder eenige teekenen van krankheid te vertoonen. Toen zij hem wilden opwekken, waren zij zeer verwonderd, dat hij den geest reeds had gegeven.

Menigmaal herhaalde de Koningin dezen uitgang van dien man, welken zij deftig liet begraven, onder een marmersteen, dien zij voor zichzelven had laten vervaardigen. Tot zgn gedachtenis werd dit grafschrift gemaakt:

Mijn lichaam geef ik aan het graf. Mijn ziel aan God, die mg' haar gaf; Den armen maak ik al mijn goed, Sprak hij en stierf dus welgemoed.

De rechtvaardige zal in eeuwige gedachtenis zijn. Ps. 112: 6. De gedachtenis des rechtvaardigen zal tot zegening zgn; maar de naam der goddeloozen zal verrotten. Spr. 10: 7.

Onze ziel sterve den dood der oprechten, en ons uiterste zg' gelijk het zijne! Let op den vrome en ziet op den oprechte! Het einde van dien man zal vrede zgn. •

'tls Gods Geest, wiens heerschappij

Al mijn daden regelt;

Die Gods heilig kindschap mij

Aan de ziel bezegelt;

Die den bleeken schrik verdrijft,

Waken leert en wachten;

Die mijns levens leven blijft

En de Bron der krachten.

Sluiten