Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geloofd, dat hjj na alles slechts een huichelaar was, en zijnde onophoudelijk verzocht geworden, om God en den Heiligen Geest te lasteren.

Toen ik hem verliet, verzocht hij mg op een hem ongewone wijze, om bij hem terug te komen, hetgeen ik hem beloofde; doch vernemende, dat hg veel beter was, vervulde ik mijn belofte niet, daar hg dan toch weldra in staat zou zgn tot zijnen arbeid terug te komen. Den volgenden Vrijdag, des namiddags ongeveer vijf uur, wekte de Heere in zgn liefdevolle voorzienigheid eenen der in mgn dienst zijnde menschen op, om hem te gaan bezoeken, om te vernemen hoe het met hem was. Deze kwam oogenblikkelijk terug met de tijding, dat hij stervende was. Ik haastte mij, om hem te gaan zien; en toen ik aan de deur kwam, werd mgn hart inderdaad doorboord op het hooren van zgn kermen en klagen, en dat wel voordat ik nog het huis was ingegaan. Zoodra ik inkwam, vernam ik naar de reden, waarom men mij niet had laten halen, waarop zgn vrouw mij zeide, dat hij niemand wilde zien. Ik begaf mij oogenblikkelijk naar zijn kamer, om, indien mogelijk, met de oorzaak zijner droefheid bekend te worden en hem, naar mijn vermogen, eenigen bijstand te verleenen. Doch hoezeer was ik verwonderd, toen ik den dood hem met rassche schreden zag naderen en hem ten zelfden tijde bijna niet in staat een woord te spreken.

Mij aan de zijde van zgn bed nederzettende, zeide ik: hoe gaat het u ? — Hij antwoordde haastiglgk: verloren! verloren! verloren! alles bedrog! alles een misleiding van den duivel! — Dat geloof ik niet, hervatte ik. — Zgn antwoord was: ja! ja! voor eeuwig verloren! Ik herhaalde die regels:

Zal Hij u ten laatste laten zinken,

Na u reeds zóóveel genade geschonken te hebben?

Ja! ja! was zijn antwoord. Hg heeft!... Hg wil!.. . ik b e n zinkende! — Ik sprak verder nog met hem, doch met geen gevolg; zijn weeklachten waren verschrikkelijk om aan te hooren; en zijn geheele gestel beefde vanwege den doodsangst zijner ziel. Ik zond om zijnen geneesheer, waarna ik hem vroeg of wij den Heere nog eens wilden aanloopen. — Hij zeide, dat dit van geen nut was, doch bewilligde er in. Het weinige, dat ik, in de gemoedsstemming, waarin ik mij bevond, voordroeg, was, om van den Heiligen Geest af te smeeken, dat het Hem behagen mocht zich aan zgn ziel te open-

Sluiten