Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij twijfelde et in geenen deele aan, of de Heere zou zich bij verniöUTring aan hem openbaren. Ook zonk deze gezegende plaats met veel kfdcht in mgn hart: „Indien wg' ontrouw zgn, Hij blgft getrouw." — Dit verlevendigde wederom mgn hoop en gaf mij een liefelijke gelegenheid tot het gebed met mgn huisgezin.

Hierna begaf ik mij nog dienzelfden avond met een mijner vrienden tot hem en vond hem, evenals te voren, in eenen béklagenswaardigen toestand; ik zette mij bij hem neder en zeide hem, dat ik vertrouwde, dat al zgn angst het werk was van den vijand en dat hg de hem van God geschonken genade verwierp en miskende. — Hierop antwoordde hg' met den meest denkbaren nadruk: neen! neen! neen! voor eeuwig, gansch en al verloren! verloten! — Menige BèfBlijke belofte werd mij indachtig gemaakt, die ik hem voorstelde; doch niete kon hem bewegen. Ik herhaalde hem die genavolle verklaring, met welke ik eenige jaren te voren zoo bijzonder werkzaam geweest was: „De rechtvaardige betrouwt zelfs in den dood." — Doch zgn antwoord was: „neen! neen! ik heb geen hoop! ik zink dieper en dieper weg! ik ben verloren! verloren! — Ik haalde een andere plaats aan, die ik met eenigen nadruk uitspiak: „Ons leven is met Christus verborgen in God; wanneer nu Christus zal geopenbaard zgn, die ons leven is, dan zult ook gg' met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid," — 0! met welk een kracht en Verschrikking antwoordde hg: neen! neen! nimmer! nimmer! nimmer! Ik zal Hem nimmer zien in heerlijkheid; het is alles bedrog; ik dacht, dat ik op den rechten weg was, maar ik heb mij bedrogen! Wederom zeide ik hem, dat ik het tegendeel geloofde en dat de Heere zich nóg aan hem openbaren zou; en zgn vrouw ten sterkste aanbevelende, om nauwkeurig acht te geven op elk woord, dat uit zijnen mond kwam, verlieten wg' hem en keerden terug naar onze woning.

Den volgenden ochtend, zeer vroeg, kwam zgn zoon mij uit zijnen naam verzoeken, om hem weder te komen zien; ik stond oogenblikkelg'k op en begaf mg' met eenen mg'ner vrienden tot hem. Toen wij de kamer binnentraden, vonden wij, dat zgn kermen had opgehouden; zgn zwak lichaam was niet meer bevende vanwege den angst zijner ziel; en zgn gelaat was zeer bedaard. Ik vroeg hem: wel, hoe gaat het u thans? Oogenblikkelg'k barstte hij in deze en dergelijke juichtonen uit: o! eeuwige liefde van God! De Satan is bestraft! De duivel vertelde mg', dat ik een huichelaar was, maar hij was een leugenaar van den beginne! Daar is geen

Sluiten