Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeide zij hem met tranen: ik vrees, dat gij niet wèl doet dezelve van hem te nemen, alhoewel het u toekomt; want ik twijfel, of hij wel in staat is het te betalen; en dan onderdrukt gij de armen.

In haar gansche doen en laten was zij zóó onstraffelijk, dat de algemeene vijanden van den godsdienst, de Roomschgezinden, niets tegen haar te zeggen hadden; en onder al de vromen, die haar kenden, was zij hoog geacht wegens haren heiligen, zedigen en nederigen wandel.

Op deze wijs leefde zij ongeveer twee jaren met haren man voort; en toen behaagde het God haar op het krankbed neder te leggen, daar zij door een zóó geweldige koorts werd aangetast, dat zij somtijds geheel buiten haar kennis was. Door des Satans listigheid, die altijd wakende is op zijn gelegenheid, geraakte zij in eenen hevigen strijd der ziel. In het eerst ontwaarde zij eenige zwakheid des geloofs, meer dan gewoonlijk, maar hetgeen zij door Gods genade ras overwon; doch kort daarop besprong de Satan haar geweldiger, waarvan God haar echter een paar dagen daarna verloste, haar vrede en troost der consciëntie schenkende, die tot op haren dood meer en meer in haar toenamen.

In het begin van haren strijd kwam haar de gestrengheid van Gods gerechtigheid voor oogen, gelijk ook de grootheid van haar zonden, die haar zeer kwelden en waarover zij zeer klaagde. Dan beschuldigde zij zich van hoogmoed, dat zij zich te veel in haarzelve en in haar schoonheid vermaakt had; dan dacht zij, dat zij geen geloof had, maar een geveinsde was en iemand, die de leer der Waarheid niet zoo oprechtelijk omhelsd had en God zoo zorgvuldiglijk niet had verheerlijkt, inzonderheid met haar tong, noch Hem zoo vurig bemind had als zij had moeten doen. Somtijds wierp •zij haren Bijbel van haar, zeggende, dat het wel in waarheid het Boek des levens was, doch dat zij het onprofijtelijk gelezen had; en daarom vreesde zij, dat het haar het Boek des doods geworden was; dan weder klaagde zij, dat haar zonden haar tot een prooi des Satans, tot een schouwspel voor de wereld, tot een schande voor den door haar beleden godsdienst en tot een beschaming voor haren man en vrienden en alle ware Christenen gemaakt hadden; en dan begon zij bitterlijk te weenen; dan weder werd zij verschrikt vanwege haar erfverdorvenheid van natuur, vanwege de zonden harer ouders, ja, ook van onze eerste ouders; in andere oogenblikken beschuldigde zij zich over het missen van een, door den Heiligen Geest, Gode geheiligde gezindheid, twijfelde aan haar

Sluiten