Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om God te bidden om vermeerdering van genade en verlossing van die zware verzoekingen; en hierin verhoorde haar de Heere kort daarop, zoodat zij zich in een groote mate van haar vorige angsten en benauwdheden verlost gevoelde. Doch den dag voor haren dood werd zij geheel in de ruimte gesteld en met overvloedige inwendige vertroostingen vervuld; en van dat oogenblik af vereenigde zij zich zeer vroolijk met het gezelschap in het gebed en in het zingen van psalmen.

Toen haar broeder, de waardige Johannes Bruen, haar op zekeren dag kwam bezoeken, zeide hij: zuster! wees niet verslagen over uw moeite; gedenk hetgeen de Apostel zegt, dat het oordeel moet beginnen van het huis Gods. — Waarop zij antwoordde: het is recht zoo; en indien 't van ons begint en de rechtvaardige nauwelijks zalig zal worden, waar zullen dan de zondaars en goddeloozen verschijnen? — Gedurende dezen tijd bad zij menigmaal en baalde vele troostrijke Schriftuurplaatsen aan, inzonderheid het 8ste hoofdstuk van den brief aan de Romeinen, alles besluitende met het gebed en een zeer bemoedigende en vroolijke toepassing daarvan op haarzelve. Als haar spijs gebracht werd, bad zij God, dat Hij die gaven niet alleen wilde heiligen tot haar lichamelijk onderhoud, maar dat Hij ook haar ziel wilde vervullen met het water des levens, terwijl men haar dikwijls hoorde zeggen: „Wie dorst heeft, dien zal Ik het water des levens geven om niet."

Eens nam zij haren Bgbel in de hand, en denzelven vroolijk kussend , zeide zij: o, Heere! het is mij goed, dat ik verdrukt ben, opdat ik uw inzetting mocht leeren. De Wet uws monds is mij beter dan duizenden van goud en zilver.

Op een ander oogenblik, haren man tot zich roepende, zeide zij: o, man! wacht u van het Pausdom; houd u heilig voor den Heere; voeg u niet naar de gruwelen der goddeloozen, opdat zij zich niet verheugen en gij alzoo God onteert en uw ziel verderft; en laat mgn kind in de ware vreeze Gods opgebracht worden; zoo zal ik het in den hemel ontmoeten, daar ik het nu na mij moet laten op aarde.

Menigmaal herhaalde zij deze plaats: „Wij hebben den geest der dienstbaarheid niet wederom ontvangen tot vreeze, maar den Geest der aanneming tot kinderen, door welken wij roepen: Abba, Vader!" — welke laatste woorden zij dikwerf verdubbelde. Ook herhaalde zij gedurig het laatste versje van Ps. 13: „Ik zal den Heere zingen, omdat Hij aan mij wèl gedaan heeft!"

Sluiten