Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Den dag voor haren dood ontdekte de Heere zich nog overvloediger aan haar, van welken tijd zij tot aan haren dood vrij was van de aanvechtingen des Satans. Alle gedachten op de dingen der wereld, op haren man, haar kind, of iets anders, legde zij terzijde. Met een vroolijk gelaat lag zij daar, als iemand, die in haren geest verrukt is; haar tong vloeide over van den lof des Heeren. Toen haar man haar eenige gedeelten uit de Heilige Schrift voorlas, en gekomen was aan Joh. 17:4: „Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen; en nu, verheerlijk Mij I" — zoo verzocht zij hem een weinig stil te houden en zeide: gezegend zij. uw Naam, o, gezegende Zaligmaker! Voleindig uw werk, hetwelk Gij in mij begonnen hebt. Dat bid ik U ootmoediglnk. — Toen hij vers 9 las: „Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt, want zij zgn uwe!" — zoo zeide zij: o, Heere Jezus! bid Gij voor mg; o, gezegende en zoete Zaligmaker! hoe wonderlijk, hoe wonderlijk zijn uw weldaden! Lees nu voort; dit is het allerschoonste, dat ik ooit gehoord heb; de troost daarvan verzoet mijn ziel. — Toen hij vers 22 las: „Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, gelijk als wg één zgn!" — zoo zeide zg' met een groote vreugde: ik belijde voor den Heere zgn goedertierenheid en zijn wonderlgke werken voor de menschenkinderen, want Hij heeft mgn ziel verzadigd en mgn hongerige ziel met goedheid vervuld. — Toen hij vers 24 las: „Vader! Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zgn, die Gij Mg' gegeven hebt, opdat zij mgn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mg' gegeven hebt!" — toen zeide zg': laat mg' de goedertierenheid des Heeren overdenken; dit is het aangenaamste, dat ooit tot mgn ziel gekomen is; nu merk en gevoel ik, dat het aangezicht van Christus, mijnen Verlosser, tot mg gewend is; en de helder schijnende stralen van zijn genade zijn over mij verspreid. O! gelukkig ben ik, dat ik geboren ben, om dezen zaligen dag te zien. Looft, looft, o! looft den Heere voor zgn weldadigheden! O, mgn zoete Zaligmaker! zal ik één met U zijn, gelijk Gij één met den Vader zijt? Zult Gij mij verheerlijken met de heerlijkheid, die Gij bij den Vader hadt, eer de wereld was? En hebt Gij mij, stof en asch, zoo lief, dat Gij mij deelgenoot maakt van de heerlijkheid met Christus? Wie ben ik, arm en ellendig mensch, dat Gij mij zoo gedachtig zijt ? O! hoe wonderlijk, hoe wonderlijk, hoe wonderlijk is uw liefde! Uw liefde is onuitsprekelijk; ik gevoel uw barmhartigheden. En och!

Sluiten