Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de gedachte van een leven na dit leven niet verzetten. Hij wierp zich te bed, aldus redeneerende: houd ik staande, dat er geen hel is, en voel ik haar echter in mijn boezem? Ben ik verzekerd, dat er hiernamaals geen vergelding wezen zal, daar ik reeds een oordeel in mij gewaarword? Zeg ik, dat mgn ziel even sterfelijk is als mgn lichaam, daar mgn lichaam verzwakt en mgn ziel daarentegen zoo sterk blg'ft als ooit? Och! kon ik tot mgn vorigen staat weder hersteld worden! Maar dat is te laat!

Een van zijn oude makkers zocht hem te troosten en te vermaken en hem in zgn goddelooze gronden te stijven. Hij antwoordde: gg en de rest van uw makkers hebt in mij gronden gelegd, die mij begeven, nu ik ze noodig heb; die mij in verwarring en wanhoop laten.

Nog met dezen makker in gesprek zijnde, kwam de godgeleerde, die deze geschiedenis heeft uitgegeven, in de kamer. De zieke verzocht hem, dat hij zijn makker, die voor zijn bed zat, wilde overtuigen, dat de ziel niet iets lichamelijks of stoffelijks is.

Dit deed die godgeleerde met zulke redenen, dat de zieke daarop niets kon antwoorden, maar alleen zulke zware zuchtingen voortbracht, alsof zijn hart brak. En daarop verliet zijn vriend, zonder een woord te spreken, haastig het vertrek.

Helaas, mijnheer! zeide de kranke, gij hebt mij uit mijn bedrog geholpen, nu het te laat is! Nu gij mij van de onsterfelijkheid mijner ziel hebt verzekerd, hebt gij mijn verdoemenis verzegeld.

De godgeleerde wendde alle pogingen aan, om hem te onderrichten en te troosten. Doch hg' beantwoordde alles met zulke verschrikkelijke uitdrukkingen, dat de man ten uiterste ontsteld was en wenschte, dat de godverzakers zulks hadden mogen hooren, om verschrikt te worden.

Gij hebt, ging hij voort, door het bewgzen van de onsterfelijkheid mijner ziel, mij een gevoeligen schrik wegens mijn zonden aangejaagd. Ik zou anders, in mijn oude, verdoemelijke gevoelens rechtuit naar de hel gaande, maar één hel hebben uitgestaan. Nu gevoel ik er twee, namelijk een onuitdrukkelijke pijn, die ik nu in mijn hart heb, en een verwachting van ik weet niet hoedanige verandering. O! dat ik in de hel ware, opdat ik het uiterste gevoelen mocht! En echter schrik en vrees ik voor het sterven, omdat dit uiterste en ergste nimmer een einde hebben zal.

De godgeleerde verzocht, dat hij, in zijn tegenwoordigheid, den Heere voor hem bidden mocht. Na veel tegenstand stond hij het

Sluiten