Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedurig al mijn goddeloosheden verwijt en al mijn zonden in versche geheugenis brengt.

Eenigen van zijn vrienden hadden gehoord, dat hij een soort van uitzinnigheid had. Dezen sprak hij aldus aan.

Gij moogt meenen, dat ik melancholiek of uitzinnig ben. Nu, ik wenschte, dat ik een van beide was. Maar het is een gedeelte van I mijn oordeel, dat ik zoodanig niet ben. Mijn bevatting van zaken ■ en mijn kennis van menschen is eer sterker en levendiger dan toen ik in volkomen gezondheid was. En dat is mijn vloek, omdat ik daardoor gevoeliger ben voor den ongelukkigen staat, waarin ik I mij tegenwoordig bevind. Wilt gij weten waarom ik in drie a vier dagen zulk een geraamte geworden hen ? Weet, dat ik heb gezondigd % tegen den Heiligen Geest en den Geest der genade smaadheid heb aangedaan, omdat ik mijn Maker heb veracht en den Verlosser heb verloochend. Met één woord, omdat ik van de Christelijke religie afgevallen ben en mij bij de Atheïsten en goddeloozen heb gevoegd. Zijn dood naderende en eenigen tijd sprakeloos gelegen hebbende, I werd er voor hem gebeden. Maar hij, dat hoorende, maakte zooveel geluid als hij kon, om zulks niet te hooren. En weder tot zijn spraak gekomen zijnde, riep hij uit: tijgers en monsters! Zijt j gijlieden óók duivelen geworden, om mij te pijnigen? Geeft gijlieden mij een gezicht van den hemel, om mij het nog onverdragelijker te maken?

Hem werd geantwoord, dat zij aleen zijn verzoening met God beoogden en zich daarom tot Hem hadden gewend, bij wien alleen I hulpe te bekomen was. Hij antwoordde: recht zoo! Dat is mijn ['■;. wonde. God is mijn vijand geworden; en daar is niemand zoo sterk I als Hij, om mij uit zijn handen te redden. Hij geeft mij over aan zijnen eeuwigen toorn en wrake; en daar is niemand, die mij verlossen kan. Was er een andere God, die zoo machtig was als | Hij en die mijn zaak wilde voorstaan, of was ik boven God, of \ hing ik van God niet af, dan zou ik met mijzelven doen en over \ mijzelven beschikken, gelijk het mij goeddacht. Dan zou er een f einde zijn van mijn schrik; en de verwachting en het oogmerk van [ mijn vreeselijken vijand zou bedrogen uitkomen. Maar dit kan niet zijn!

En dus begaf hem de spraak. Hij begon naar den adem te snakken, dien hij nog eens terugkreeg. En voor het laatst riep hij uit, [ met een zoo vervaarlijken en luiden zucht, alsof het niet van een mensch was: o! de onlijdelijke angsten van de hel en de verdoemenis!

Sluiten