Geen zoekvraag opgegeven

  • / 100

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn gulden, hoewel zwakken mond te hooren spreken en preêken.

'tWas zijn gedurig verlangen en zuchten: Heere! hoelang zal het nog duren, dat mijn ziel uw onmiddellijke gemeenschap genieten zal ?

Donderdag tegen den avond, den U*°* Augustus, begonnen diegenen, die bij hem waren, te merken, dat de ure zijner verhuizing met groote schreden naderde; zijn benauwdheid was groot; de krachten namen meer en meer af, maar zijn verstand bleef hem ten volle bij; en het scheen, dat zijn ziel in gedurige meditatiën omtrent God bezig was. Daar vandaan was het, dat hij dengenen, die hem aanspraken, verzocht hem niet te willen storen. In 't midden van zijn grootste benauwdheid riep hij uit: een gansch zeer uitnemend gewicht van eeuwige heerlijkheid werkt deze licht voorbijgaande verdrukking! Maar, voegde hij er bij, 't is nu evenwel geen lichte verdrukking.

Als men hem vroeg of men dezen of genen nog bij hem verzoeken wilde, zoo antwoordde hij: God is mij genoeg. Omtrent middernacht meende hij eens, dat zijn verlossing nog zoo nabij niet was, zeggende tegen de zijnen: ik zal u tijds genoeg waarschuwen. Doch kort daarna berstte hij uit in deze woorden: o. God! in uw handen beveel ik mijnen geest, mijn Maker, die mij geschapen hebt, tot uw eere, mijn Verlosser, die mij gekocht hebt door uw bloed, mijn Heiligmaker, die mij geheiligd hebt door uwen Geest, mijn Heerlijkmaker, die mijn ziel zult bewaren als een pand, dat U toevertrouwd is, om het voor eeuwig te verheerlijken!

Daarop keerde hij zich tot zijn huisvrouw en bedankte haar nogmaals voor al haar liefde, aan hem betoond, sprak haar een hart in 't lijf, zeggende: uw Maker zal uw Man zijn; die zal u verzorgen; mijn waarde kinderen heb ik aan God overgegeven; en is alzoo in den morgenstond in den Heere ontslapen, den 15den Augustus 1692.

Het grafschrift van den heer W. Dorville op dezen getrouwen Arnhemschen kerkleeraar is nadrukkelijk, in hetwelk hij zegt:

Wie zal in zulken druk nu Arnhems trooster zijn? Alleen een phcenix van een tweeden Alardijn; Doch die is meer op aard' te wenschen dan te hopen Nu daar zoo klein getal wordt door zijn geest bedropen. Vraagt gij hoe zijn verblijf zoo kort hier is geweest, Het lichaam was te zwak voor zulken grooten geest.

Sluiten