Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft. Zij toonen geen de minste liefde jegens hunnen naaste, jegens iemand, die meerder van dagen was dan zij, jegens een achtbaar en deftig Godsgezant; ziedaar een samenknooping van allerlei ongerechtigheid, voortkomende uit het boos hart dezer afgodische kinderen.

Geen wonder dan, dat zulke verregaande gruwelen ook op een geduchte wijze gestraft worden!

„Eliza keerde zich achterom en zag hen en vloekte hen in denNaam des Heeren!"—zoo spreekt de Heilige Schrift.

Hij keert zich om en ziet hen. Ons dunkt, hij heeft deze kinderen aangezien met een heilige verontwaardiging en verbaasdheid, meteen ook bedroefd zijnde over de verharding huns harten. Hij zag door een bijzondere ontdekking van God, dat alle hoop op beterschap in deze jeugdige booswichten was afgesneden en zij slechts van kwaad tot erger zouden komen.

Hij vloekte hen in den Naam des Heeren. Het wil zeggen: hij sprak een schrikkelijke bedreiging, een geducht oordeel over deze kinderen uit. Niet uit haat of afkeer omtrent hun personen, maar uit haat van de afgoderg, die zij reeds zoo vroeg hadden ingedronken en waardoor zij zich reeds in hun jeugd bittere vijanden van den waren God en zijn getrouwe dienaren betoonden.

Hij vloekte hen in den Naam des Heeren. Het geeft ons te kennen, dat deze bedreiging uit geen zondigen ijver, noch uit wraak, om de hem aangedane beleediging, sproot, maar dat zij de vrucht was van een heiligen ijver voor de eer van God. Eliza deed het dan op bevel des Heeren en in het vertrouwen, dat de almachtige God dit ontzaglijk oordeel zoo aanstonds over deze jeugdige afgodendienaars brengen zou.

En juist dit geschiedde, want zoo luiden de woorden der Heilige Schrift: „Toen kwamen er twee beren uit het woud en verscheurden tweeënveertig kinderen."

't Is bekend, dat er in het Joodsche land, vanwege de menigvuldige bosschen en bergen, wild gedierte gevonden werd; immers men leest er veel van in de heilige bladen. Nu, dicht bij de stad Bethel lag het woud Ephraïm, waaruit deze twee beren kwamen. God, die de Opperheer van alles is, bestuurde deze redelooze dieren, dat zij zich juist in de nabijheid van de stad Bethel bevonden en niet rustig in hun holen ternederlagen, maar op weg waren en naar roof gierden. Nauwelijks bemerkten zij deze kinderen, ot hun woede wordt gaande. Zij verscheurden van dezelve tweeënveertig kinderen.

Sluiten