Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Amphilogius hem aldus aan: „Vorst! gij wordt boos, wanneer men uwen zoon niet eert; wat zal dan de groote hemelsche Keizer zeggen, indien men den Zoon niet eert gelijk den Vader?"

Op den rijksdag van Worms, in 1521, werd Luther uitgenoodigd, om de leer der Hervorming te herroepen. „Ik ben daartoe bereid" •— antwoordde hij — „indien men mij duidelijk en overtuigend uit de Heilige Schrift bewijst, dat ik dwaal."

In 1793 vernietigde men den godsdienst; en de kreet der oproerlingen: „Geen goden dan die der natuur!" — vond weêrklank in eenige vreemde landen. Christiaan Mender, een vroom man en nachtwacht te Berlijn, volgde nochtans zijn gewoonte, om bij iederen roep een psalmvers of een Bijbelspreuk op te zeggen. Op zekeren avond, juist toen hij uitriep: „Prijst den Heere, onzen God!" — gaat hem een aanzienlijk persoon voorbij. „Hoe, vader Mender! kent gij het besluit der Nationale Conventie van Parijs niet, hetwelk zegt: „„Geen goden meer!""— „O, mijnheer de raadsheer! wat bekommer ik mij of de Parijzenaars gek worden en een oude geschiedenis weder oprakelen?" — „Hoe? Een oude geschiedenis?" — „Vergeef mij, mijnheer de raadsheer! Zie, vóór drieduizend jaren leefden er reeds menschen, die dat riepen; en koning David zegt van hen: „„De dwaas zegt in zijn hart: er is geen God."" Ps. 14: 1.

De leeraar Schubert, te Potsdam, was eens aan het hof ten eten genoodigd. Eenige tooneelspelers lieten verlof vragen, om voor den koning en zijn gasten een voorstelling te mogen geven De koning vroeg Schubert wat hij er van dacht. „Ik meen" — zeide deze — „onder de voorstelling te kunnen sterven; en wanneer men mij nu, bij het verschijnen voor Gods troon, vroeg: „„Schubert! vanwaar komt gij ?" " — dan zou ik zeer verlegen zgn, om te moeten zeggen: van een tooneelvoorstelling."

De predikant Dod was eens genoodigd bij een zijner vrienden. Na den maaltijd stelde men voor, om kaart te spelen, en Dod werd uitgenoodigd, om hieraan deel te nemen. In plaats van te antwoorden, vouwde hij de handen, alsof hij bidden wilde. De gasten verstonden dit teeken, en de kaarten verdwenen.

„Wat zouden mijn vrienden zeggen" — riep een zeker wereldschgezind jongeling uit, toen de predikant Boos hem van de zaligheid sprak — „indien ik hun daden niet deelde ?" — De leeraar antwoordde: „Wanneer de boozen de Christenen wegens hun vroomheid verachten, dan doen zij evenals de blinde, die een ander verachtte, omdat hij zien kon. Indien gij de goedkeuring der boozen boven die van uw

Sluiten