Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heerlijkheid moet bewonen, hier in zulke omstandigheden verkeeren?" — Na afscheid genomen te hebben, gingen wij heen.

Vier dagen na dezen behaagde het den vrijmachtigen God, om haar het geloof te geven. Het was middernacht. Haar zuster sliep gerust; maar zij was biddende en kon ook niet slapen vanwege de pgn. Daar gevoelde zg verlichting en zag de heerlijkheid des hemels voor haar geopend. O! wat blijdschap! Zij wenschte zóó heen te gaan. En zoo ging het den geheelen nacht tot den morgenstond toe; daarna was zij weder een tijdlang in de duisternis, terwijl zij betuigde, dat het haar was, alsof zij in de hel lag te branden; en dan was het maar: „Heere! wat is het dan geweest vannacht, dat Gij mij hebt gegeven?" — Als zij daar weder ingeleid werd, kreeg haar ziel weder rust. De Heere zond dagelijks vrienden en vriendinnen en geld en alles, wat zij noodig had. En nu moet ik zeggen tot allen, die haar met woord en daad hebben ondersteund: „Gij allen zijt middelen geweest, om de beloften Gods, aan haar gedaan, te vervullen."— En zoo hebben wij allen deze Koningsdochter mogen dienen. Zij was nog weieens bezorgd voor haar zuster en ook voor haar begrafenis, omdat zij geen geld had en in geen fonds was. Wg namen op ons, om voor alles te zorgen. Zij was nu ook hierin gerust. Zij had nog begeerte, om door Gods volk begraven te worden; dit werd haar ook beloofd. Dus daarvoor had zij geen zorg meer. En zoo verliepen de dagen van haar leven met veel strijd, in- en uitwendig, en aanvallen des Satans, die haar geen rust liet, zoodat het haar menigmaal was, alsof zij nog verloren zou gaan; maar het geloof overwon alles weder; en dan stelde zij zich voor, dat zg zacht zou heengaan. Maar de pijnen en smarten en wonden vermeerderden van tijd tot tijd, alsook de verschrikkelijke benauwdheden, in- en uitwendig. Zoo is het eens gebeurd, te midden van een doodsche benauwdheid, dat het was, alsof een stem tot haar zeide: „Gij hebt u voorgesteld, om zacht te sterven, maar gij zult zóó heengaan; ziet gij niet hoe bedrogen gij zijt met dien God, op wien gij zoo vertrouwd hebt?"

Op een anderen tijd, dat zij in eenige dagen geen bezoek kreeg, werd zij weder verontrust door haren zielevijand op deze wijze: „Indien gij tot het volk Gods behoordet, dan zouden de kinderen Gods u wel bezoeken; maar nu willen die óók niet met u te doen hebben." — Zij had somtijds wel dagen, dat zij er naar het lichaam opgeruimder uitzag dan gewoonlijk; dan zeiden wereldschgezinde bezoekers tot haar, om haar te troosten: „Gij zult wel weêr beter

Sluiten