Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden." — Maar deze troost was haar een ontzettend zware last en een kwelling des geestes. Znlke bezoekers kon zij niet verdragen. Dan weder had een vriend haar over den verrader Judas gesproken, en dan was het in haar binnenste: „Nu, zulk een valschaard ben ik óók; ik spreek met de vromen, die mij bezoeken, maar mede, en ik meen er niets van." — Maar de Heere deed haar zien, dat Judas nooit als een arm zondaar tot den Heere Jezus was gekomen; en daaraan had zij kennis; en zoo werd zij ook uit deze benauwdheid weder verlost.

Tot vier dagen vóór haren dood bleef zij met eenen last bezwaard, die haar geweldig schokte. Zij had namelijk haar zuster tot hiertoe op de rechte wijze niet kunnen liefhebben; dit drukte haar zwaar op het hart; dit bracht haar aan het bidden, zoodat zij tot den Heere zeide: „Och, lieve Heere! geef, dat ik mijn zuster recht hartelijk kan liefhebben!" — Waarop zij aanstonds haar zuster tot zich riep en sprak: „Griet! ik heb u niet kunnen liefhebben, omdat gij mij zoo dikwijls bitse woorden hebt toegeduwd, terwijl ik hier lig; maar ik heb den Heere gebeden, en nu vergeef ik u alles." — Daarop omarmde zij haar zuster en zeide verder: „Nu heb ik u lief; houd u bij den Heere en zoek Hem meer en meer! En nu ga ik naar boven ; en als wij eens daarboven zijn, dan zullen wij elkander nog eerst recht hartelijk liefhebben. Maar, Griet! ik heb den Heere Jezus nog liever." — Hierop volgde een buitengewone rust voor haar ziel, zoodat zij tot mij zeide, toen ik haar na kerktijd bezocht: „Ik lig te wachten op den Heere, want nu is alles afgedaan." — Zoo had ik haar nog niet ontmoet, in zulk een zalige rust. Den volgenden dag was zij doodsbenauwd; zij dacht, dat zij bezwijken zou; zij zeide: „O! wat is dat sterven benauwd! Ik had het nooit gedacht." — Zij bedaarde echter weder wat. Den volgenden dag kwam er in den avond een benauwdheid, zooals zij ze nog niet gehad had. Zij kon niet spreken, maar toch haar verlangen naar mij te kennen geven.

Ik werd oogenblikkelijk gehaald en ging bij haar zitten. Na eenige tusschenpoozing zeide zij met stamelende woorden, dat zij, nu zij sterven ging, groote behoefte had, dat er een van het volk van God bij haar was. Nadat wij nog eenige woorden biddend gesproken hadden, nam ik afscheid. Den volgenden morgen — dit was de laatste dag — bezocht ik haar weder. Zij was naar omstandigheden redelijk, ten minste niet doodsbenauwd. Maar nu moet ik een ontmoeting vertellen, die nogal belangrijk is geweest. Bij het inkomen

Sluiten