Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die hier tusschen ons is." — Die vrouw wenschte van de zieke te weten wat de oorzaak was; maar de zieke wilde haar niet toespreken. Daar valt die vrouw op haar knieën voor een stoel in een zacht gebed. Ik zit tusschen de biddende en de zieke. Treffende oogenblikken! Mijn ziel bad óók: „Och, Heere! indien deze vrouw een kind van U is, och! toon het dan." — Die vrouw stond op; de zieke, dit bemerkende, zeide: „Dat is niet goed; waarom niet in het verborgen gebeden?" — Waarop ik zeide: „Dat weet ik niet. Als het hart bezwaard is, kan men het niet altgd uitstellen, totdat men een verborgen plaats heeft." — De vrouw zeide tot de zieke met innerlijk leed: „Nu, als ik dan nu niet met u spreken mag, dan ga ik maar heen." — En ik zeide: „Dan ga ik óók heen." — Waarop de zieke zeide: „Och! gaat gij óók heen ? Och! blijf nog; blijf nog!" — Toen zeide ik tot de zieke: „Ja, ik ga óók heen; ik heb nu geen troost voor u. Want de Heere heeft deze vrouw, die een kind van Hem is, tot u gezonden, en gij wilt er niet mede te doen hebben; nu heb ik óók niets voor u; nu moet gij maar van al uw vrienden af en het alleen bg' den Heere zoeken."

De zieke werd door deze woorden gebroken en de vrouw bemoedigd; zij geraakten nu samen in gesprek en waren het hartelijk ééns: zij spraken tot elkander uit het hart en tot het hart en scheidden als zusters. Ik moest de zieke mijne hand er op geven, dat ik 's avonds nog zou terugkomen. Ik kwam des avonds laat bg haar en wilde nog spreken over hetgeen er des morgens gebeurd was; maar zij wilde er liefst niet meer van spreken en zeide tot mg: „Och! spreek er niet meer over; ik heb er den Heere al zoo over gebeden !" — En geen wonder, want haar einde was nabij. Haar lichamelijke benauwdheid werd zeer hevig, zoodat zg gedurig riep: „Stikken, stikken!" — En uit de benauwdheid riep zg'tot God: „Lieve Heere! hoe kunt Gg' het aanzien, dat uw kind zoo moet lgden!" — En drie uren hierna, toen de doodsstrg'd gestreden was en zij van ons allen afscheid genomen had: zeide zij: „Laat mij nog eens drinken!" -— Toen zij gedronken had, zeide zij: „Vader! in uw handen beveel ik mg'nen geest." — En nu zeide zij: „Leg mg' nu maar neder; nu ga ik rusten!" — Want zg' zat wegens de benauwdheid overeind, tegen een vriendin aanleunende, dié haar vasthield; en terwijl de vrouw haar nederlegde, gaf zij den geest.

Onder toespraak van haren onderwijzer, gebed en psalmgezang hebben verscheidenen van Gods volk haar stoffelijk overschot ter aarde besteld.

Sluiten