Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Cornelia Frederika N., oud 20 jaren, ontsliep in den Heere den 25sten Mei 1857. Zij had van haar vroegste jeugd onbesproken van gedrag geleefd voor de wereld en veel lust gehad, om Gods Woord te onderzoeken. Zij had door de leidingen des Heeren van denzelfden leermeester als Catharina Wilhelmina P. een zuiver onderwijs genoten in den godsdienst, zoodat zij ook een behoorlijke belijdenis des geloofs heeft afgelegd. Zij kreeg daarna begeerte, om met de verkregen kennis winst te doen voor het koninkrijk der hemelen, en werd onderwijzeres op de Zondagschool, waar zij eenigen tijd is werkzaam geweest. Als zij onderwijs zou gaan geven, dan zeide zij menigmaal tot haar zuster: „Ik weet niet wat ik den kinderen zal leeren; ik hoop, dat de Heere het mij zal geven!" — En als zij dan terugkwam, zeide zij: „Ik heb zooveel stof gehad, om te leeren, dat de tijd mij te spoedig om was, want ik heb nog veel overgehouden, dat ik nog zeggen wilde." — Zij was dagelijks werkzaam op een modewinkel, onder het gezelschap van meisjes en vrouwen, waar zij niet bemind was, omdat haar hart in de ijdelheid en in haar gesprekken geen genoegen vond. Zij moest hier veel smaad en laster verduren; en dan was er een juffrouw, die, om haar te plagen, geducht begon te vloeken, als zij de eene of de andere wilde vermanen over zondige uitdrukkingen. Tegen die juffrouw durfde zij niets zeggen. Ook was er een Fransche dame uit Parijs, die niets dan Fransch sprak en dikwijls den Naam des Heeren ijdellijk gebruikte. Dit hinderde haar geducht; maar zij had geen vrijmoedigheid, om er wat van te zeggen. Zij was de éénige, die dagelijks met die Fransche dame sprak. Maar het behaagde den Heere, om haar door ongesteldheid eenige maanden vóór haar einde in huis te houden. Zij kreeg de longtering; daarbij kwam nog hartziekte, ontsteking aan de milt en een slechte borst.

Gedurende haar ziekte, die toenemende was, werd zij geheel ontdekt aan haren zondestaat; zij zeide: „Ik weet alles wel; maar ik kan niet zeggen, dat de Heere Jezus mijn Zaligmaker is. Ik heb er wel groote behoefte aan; ik bid ook zonder ophouden den Heere; maar ik blijf altoos nog in ongerustheid en bedroefdheid. Ik geloof wel 's Heeren woord: „„Zalig zijn ze, die treuren, want zij zullen vertroost worden; en zalig zijn ze, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden!"" — Maar ik heb er geen rust bij."

En ziet, wat gebeurt er ? Veertien dagen vóór haren dood behaagt het den vrijmachtigen God, om haar die genade te geven, om den

2

Sluiten